![]() |
| |
Amerikaanse vogelkers - Prunus serotina
Namen
Nederlands: Amerikaanse vogelkers (Bospest)
Frysk: Boskpest
English: Black Cherry (Wild Cherry, Alabama Cherry, Black Chokecherry, Wild Black Cherry)
Français: Cerisier tardif
Deutsch: Späte Traubenkirsche
Wetenschappelijk: Prunus serotina (Padus serotina, Cerasus serotina, Prunus virginiana)
Familie: Rozenfamilie, Rosaceae
Beschrijving
Afmeting: 3 tot 20 meter.
Levensduur: Overblijvend.
Bloeimaanden: Mei en juni.
Wortels: Er zijn geen worteluitlopers.
Stam: De bast stinkt niet.
Bladeren: De giftige bladeren zijn iets leerachtig, breed lancetvormig en 5 tot 12 cm lang. In de herfst worden ze geel. De bovenkant is glanzend en kaal. Aan de onderkant is een deel van de middennerf dicht behaard. Er zijn tot meer dan 40 paar zijnerven, die dicht bij elkaar zitten en weinig of niet uitspringen. De zijnerven zijn niet of alleen aan de voet behaard.
Bloemen: De rechtopstaande iets gedrongen trossen verschijnen later dan de bladeren. De witte bloemen zijn 0,5 tot 1 cm groot. De kroonbladen zijn vrij rond. De bloemsteel is 3 tot 6 mm lang.
Vruchten: De paarszwarte, bolvormige bessen worden tot ongeveer 1 cm groot. De kelk (het kroontje) is nog aanwezig bij de rijpe vrucht. De pitten zijn glad.
Biotoop
Bodem: Zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op droge tot matig vochtige, voedselarme, zwak zure tot zure, kalkarme zandgrond.
Groeiplaatsen: Bosranden, bossen (vaak op verstoorde grond), struwelen, heide en in de middenduinen.
Verspreiding
Wereld: Oorspronkelijk uit het zuiden en oosten van Noord-Amerika, van Guatemala tot Zuidoost-Canada. Sinds het eind van de 19e eeuw ingeburgerd in Europa.

Amerikaanse vogelkers - Prunus serotina
Nederland: Algemeen op de hoge zandgronden en in het duingebied, vrij zeldzaam in het rivierengebied, in Flevoland en Zeeland, in laagveengebieden en in het noordelijk zeekleigebied.
België: Vrij algemeen in de Kempen en vrij zeldzaam in Vlaanderen. Elders zeldzaam tot zeer zeldzaam.
Amerikaanse vogelkers - Prunus serotina
Wetenswaardigheden
Amerikaanse vogelkers wordt, met name in Midden-Europa, aangeplant voor het hout en als sierboom. Een kreupele vorm van Amerikaanse vogelkers werd sinds het begin van de twintigste eeuw als vulhout in produktiebossen op voedselarme grond aangeplant. Amerikaanse vogelkers werd spoedig een plaag in de bosbouw vandaar ook de bijnaam 'bospest'. De struik treedt vaak op in storingssituaties, zoals op kapvlaktes, waar door mineralisatie van de afgevallen bladeren en dode takken, stikstof in de bodem vrijkomt. De kleine bessen zijn eetbaar, maar alleen als ze echt rijp zijn, dus als de kleur zeer donkerrood, bijna zwart is. Ze hebben een enigszins bittere smaak. Men kan er onder meer jam en sap van maken. Het blad en de pit zijn giftig. Het is dus sterk af te raden kersenpitten door te slikken. Bij geiten wordt na opname zelfs blauwzuur gevormd, wat zeer dodelijk is. Stikstof bemesting, droogte, vorst en bespuiting verhogen het gifstofgehalte. Verlept loof is daarom zeer gevaarlijk.
© 2001-2010 Klaas Dijkstra