| Namen Nederlands: Lievevrouwebedstro Frysk: Frouwebêdstrie English: Sweetscented bedstraw (Sweet Woodruff) Français: Aspérule odorante Deutsch: Waldmeister Wetenschappelijk: Galium odoratum (Asperula odorata, Galium matrisilva) Familie: Sterbladigenfamilie, Rubiaceae Beschrijving Afmeting: 15 tot 30 cm. Levensduur: Overblijvend. Bloeimaanden: Mei en juni. Stengels: De gladde stengels zijn vrijwel kaal. Ze staan rechtop, zijn vierkantig en hebben aan elke knoop een ring haren. Lievevrouwebedstro vormt zoden. Bladeren: De bladeren zijn meestal wintergroen. Ze zijn langwerpig en staan onder aan de stengel in kransen van 6 en hogerop in kransen van 8. Aan de onderkant aan de rand en op de middennerf zitten stekelhaartjes, die wijzen naar de bladtop. De bladeren geuren als ze verwelken. Bloemen: De bloeiwijze is losbloemig en schermachtig. De bloemen zijn wit, 4 tot 7 mm groot en 4-spletig. Verder zijn ze trechtervormig en tot de helft gespleten. Ze verspreiden een duidelijke geur. Vruchten: De dopvruchten zijn 2 tot 3 mm groot, met haakvormige, aan de top zwartgekleurde haren. Biotoop Bodem: Beschaduwde plaatsen op vochtige, voedselarme tot matig voedselrijke, neutrale tot kalkhoudende, humeuze grond met een goed verterende humuslaag (leem, löss en mergel). Groeiplaatsen: Loofbossen (met name van Beuken en hellingbossen), landgoedbossen en struwelen. Verspreiding Wereld
 In Europa, van Midden-Scandinavië tot Noord-Spanje en de Balkan. Oostelijk tot in de Oeral. Ook op een paar verspreide plaatsen in Noord-Afrika (Atlasgebergte) en Klein-Azië. Nederland
 Vrij algemeen in Zuid-Limburg en vrij zeldzaam in Twente en in de Achterhoek. Elders alleen verwilderd. Vlaanderen
 Vrij zeldzaam. Het meest in de Voerstreek en in de Leemstreek. Rode lijst. Niet bedreigd. Wallonië: Vrij algemeen in Lotharingen (de zuidelijke Ardennen), vrij zeldzaam in het Maasgebied en de Ardennen en zeldzaam in Brabant. Wetenswaardigheden Behalve als sierplant en bodembedekker wordt de plant ook gebruikt voor het aromatiseren van meiwijn. Lievevrouwebedstro werd vroeger gebruikt op de feestdag van Sint-Barnabas voor het maken van slingers, die in de kerk en het woonhuis werden opgehangen. Ook werd er de vloer mee bestrooid en in linnenkasten gelegd. Vroeger werd dit kruid opgedragen aan Freya, de Godin van de natuur en de liefde. Later werd het bedstro aan Maria gewijd en in 1543 noemde Fuchs het in zijn “Neu Kreuterbuch” voor het eerst “Onser Vrouwe Bedstroo”. De naam bedstro is ontstaan omdat het als strooikruid in de slaapkamers werd gebruikt en dat het bij ziekte boven het bed werd opgehangen. |