Wilde planten in Nederland en België

Aalbes - Ribes rubrum

Frysk: Reade bei

English: Red currant

Français: Groseiller rouge

Deutsch: Rote Johannisbeere

Synoniemen: Rode bessen, Ribes rubra, Ribes sylvestre, Ribes vulgare

Familie: Grossulariaceae (Ribesfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Ribes is mogelijk door verwarring aan zijn naam gekomen. Ribas is de naam van een soort rabarber uit Libanon, Rheum Ribas, die door deArabieren al heel vroeg als geneeskrachtig en laxerend Kruid. werd gekweekt. Toen de Arabieren in het door hen veroverde Spanje geen ribas aantroffen droegen ze de naam over op de ook zuur smakende aalbes waaruit eerst ribos en tenslotte ribes ontstond. Door anderen wordt de naam echter als een verlatijnste vorm van Riebs beschouwd, een oud Duits woord voor de ribes. Rubrum betekent rood.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Struik.

Winterknoppen: Fanerofyt.

Hoofdbloei: April en mei.

Afmeting: 90-150 cm.


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL

Wortels: Ondiep wortelend. Oorspronkelijk wilde planten kunnen uitlopers vormen.


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL

Takken: Takken zonder doornen. Er zijn meestal maar weinig takken die rechtstreeks uit de wortels groeien. De schors is zwartbruine of bruinrood.


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL

Bladeren: Op de zacht behaarde bladstelen groeien korte en lange, gesteelde klieren met een roodbruin klierknopje. De verspreidstaande, in omtrek rondachtige, niet sterk ruikende, meestal vijflobbige, maar soms drielobbige bladen zijn aan de voet hartvormig. Ze zijn ingesneden gekarteld-getand. De onderkant is meestal dicht (zacht) behaard en niet of nauwelijks beklierd (dan met zittende roodbruine klierknopjes).


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL

Bloemen: Tweeslachtig. De bloemen vormen samenhangende, meestal gebogen neerhangende, losse trossen (tot twintig bloemen). Ze zijn geelachtig groen, vaak iets paarsig,ongeveer 5 mm, schaalvormig, met in het midden een vijfhoekige richel om de stijl. De vijf kroonbladen zijn zeer klein. De vijf vergroeide kelkbladen zijn lichtgeel tot groengeel. De kelkslippen staan eerst af, maar later rollen ze achterover. Op de bekervormige bloembodem zie je een richel (in de vorm van een vijfhoek) rond de stijl (met twee stempels). Elke bloem heeft vijf meeldraden en een onderstandig vruchtbeginsel. De kale schutbladen zijn stomp ovaal en korter dan de bloemstelen.


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL

Vruchten: Een bes. De bessen zijn glanzend helderrood, enigszins doorschijnend, 6-10 mm groot, niet behaard, eetbaar en zuur. Ze vormen samen een hangende tros. Gekweekte bessen kunnen ook geelwit zijn. Deze zijn iets minder zuur van smaak. Tweezaadlobbig.


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL

Biotoop

Bodem: Zonnige tot meestal halfbeschaduwde plaatsen op vochtige tot vrij natte, matig voedselrijke tot voedselrijke, matig zure tot licht basische (meestal zwak zure) grond (leem, klei, zand en stenige plaatsen).

Groeiplaatsen: Bossen (loofbossen, moerasbossen, beekdal- en rivierdalbossen), bosranden, struwelen, heggen, houtwallen, in bosjes bij boerderijen, beschaduwde rotsen, zeeduinen (binnenduinen, duinstruwelen, duinbossen), waterkanten (langs bosbeken) en in knotwilgen.

Verspreiding

Wereld: Voornamelijk in West-Europa. Ingeburgerd in o.a. Noord-Amerika.

Nederland: Algemeen.

Vlaanderen: Algemeen.
Wallonië:
Vrij algemeen.

Opmerkingen en toepassingen

Verspreiding gebeurt hoofdzakelijk door vogels en dan met name merels, lijsters en spreeuwen, die de zaden verspreiden via de uitwerpselen.

Ze zijn eind juni rijp, dat is omstreeks de herdenkingsdag van de Heilige Johannes. In Duitsland worden de bessen daarom Johannisbeere genoemd.

Keuken: Aalbessen worden vers gegeten of tot sap of jam verwerkt. Ze hebben een laag suikergehalte en bevatten veel vitamine C. Gedroogde bessen kunnen worden verwerkt tot een frisse thee, die de spijsvertering bevordert.

Medicinaal: De volgende eigenschappen worden aan de bessen toegeschreven: aansterkend, afkoelend, bloedzuiverend, eetlust opwekkend, zwak laxerend, spijsvertering bevorderend en urine afdrijvend. Kruid.enthee, gemaakt wordt van gedroogde aalbesbladeren zouden symptomen van jicht en reuma verlichten en het zou (in een verband) slecht helende wonden beter laten helen. Ook werd het gebruikt om te gorgelen tegen infecties in de mond.

Cultuur: In cultuur is ook een vorm met witte bessen (deze zijn minder zuur). De gekweekte aalbes is vermoedelijk ontstaan uit een bastaard van Ribes rubrum (Aalbes) en Ribes spicatum (Trosbes).

Bewaren: Aalbessen kunnen enkele dagen in de koeling worden bewaard. Ze kunnen ook heel goed worden ingevroren.

Vermeerderen: Afleggen: Een tak op de grond vastzetten en afdekken met grond. Nadat de tak goed is gaan wortelen, kan deze van de moederplant af. Deze manier van vermeerderen is het meest eenvoudig, doordat de afgelegde tak voeding en water van de moederplant krijgt. Daardoor droogt deze niet snel uit.
Stekken: Bij stekken moet je er voor zorgen dat de stek niet uitdroogt. Een normale stek bestaat uit een stuk twijg van minimaal 25 cm lang en 5 tot 7 mm dik. Je verwijdert de knoppen, behalve de bovenste 4 of 5. Zo krijg je later niet zo snel grondscheuten. De beste periode om stekken te nemen is eind augustus en september. Je moet de stekken direct uitplanten en alle bladeren, behalve de bovenste 1 tot 3, verwijderen. Je moet ze een seizoen laten doorgroeien voordat je ze verplant.
Zaaien: Je kunt Aalbessen ook zaaien, maar dit wordt in de praktijk weinig toegepast.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 7, Jan Kops en Herman Christiaan van Hall (1836)


Afbeeldingen der artseny-gewassen met derzelver Nederduitsche en Latynsche beschryvingen, deel 1, Dirk Leonard Oskamp (1796)


Cruijdeboek, deel 6, Rembert Dodoens. Vander boomen, haghen, ende alle houtachtighe gewassen, en van huerder vruchten, gummen ende sapen ondersceet, fatsoen, naem, natuere, cracht ende werkinghe (1554)


Afbeeldingen der fraaiste, meest uitheemsche boomen en heesters, J.C Krauss (1802)


Botanische wandplaten


Hortus floridus, fasicle pars altera, C. van de Passe (1614)


Deutschlands flora, deel 1, J. Sturm, J.W. Sturm (1796-1798)


Kräuterbuch, Unsere Heilpflanzen in Wort und Bild, Friedrich Losch (1914)


Botanischer Bilderatlas nach dem natürlichem Pflanzensystem, K. Hoffmann, E. Dennert (1911)


Repräsentanten einheimischer Pflanzenfamilien in bunten Wandtafeln mit erläuterndem Text, C. Bollmann (1879-1882)


Vollständige Beschreibung und Abbildung der Sämmtlichen Holzarten, F.L. Krebs (1826)


Plantae medicinales, deel 2, Nees von Esenbeck, M.F. Wijhe, A. Henry (1828-1833)


New Kreüterbuch, L. Fuchs (1543)


Icones plantarum medico-oeconomico-technologicarum, deel 2, F.B. Vietz (1804)


Genera plantarum florae germanicae, Conspectus, deel 6, T.F.L. Nees von Esenbeck (1859)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)


Svensk botanik, J.W.Palmstruch e.a., deel 3 (1807)


Bilder ur Nordens Flora, Carl Axel Magnus Lindman (1901-1905)


Medical Botany, deel 4, W. Woodville, W.J. Hooker, G. Spratt (1794)


English Botany, or Coloured Figures of British Plants, deel 4, J.E. Sowerby (1865)


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)


Histoire universelle du règne végétal, deel 10, P.J. Buchoz (1775-1778)


Flora Parisiensis, deel 2, P. Bulliard (1776-1781)


Flore médicale, deel 4, F.P. Chaumeton (1830)


Choix des plus belles fleurs et des plusbeaux fruits, P.J. Redouté (1827-1833)


Traité des arbres et arbustes, Nouvelle édition, deel 3, H.L. Duhamel du Monceau, P.J. Redouté (1806)


Monographie ou histoire naturelle du genre Groseillier, C.A. Thory (1829)


Etudes de fleurs et de fruits, Henriette Antoinette Vincent (geboren Rideau du Sal) (1820)


Ribes arabum

Plantarum seu stirpium icones, deel 2, M. de Lobel (1581)


Hortus Eystettensis, deel 1, Bessler,Basilius (1620)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL