Wilde planten in Nederland en België

Nederlandse namen

A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

Adelaarsvaren - Pteridium aquilinum

Andere namen

Frysk: Njirrekrûd

English: Bracken

Français: Fougère aigl

Deutsch: Adlerfarn

Verouderde of andere namen: Pteris aquilina

Classificatie

Klasse: Pteropsida

Orde: Filicales

Familie: Dennstaedtiaceae (Adelaarsvarenfamilie)

Geslacht: Pteridium (Adelaarsvaren)

Soort: Pteridium aquilinum

Naamgeving (Etymologie): Adelaarsvaren wordt zo genoemd omdat een doorsnede van het onderste deel van de bladschede op een adelaar lijkt. Pteridium is het verkleinwoord van Pteris (varen). Pteris is weer afgeleid van het Griekse pteron (vleugel). Aquilinum of aquila betekent van een arend of adelaar.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Sporenplant.

Winterknoppen: Geofyt.

Rijpe sporen: Juli en augustus.

Afmeting: 90-300 cm.


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL

Wortels: Adelaarsvaren vormt diep in de grond een sterk vertakt, horizontaal stelsel van zwarte, lange en dikke wortelstokken. De uiteinden daarvan groeien schuin omhoog (harig aan de top), maar bereiken de oppervlakte niet. Aan ieder uiteinde verschijnt in de lente één blad. Adelaarsvaren kan vrij agressief groeien en grote oppervlakten in bezit nemen.


Rasbak - CC BY-SA 3.0


www.europeana.eu


bisque.cyverse.org - CC BY-NC 3.0


cdn.flmnh.ufl.edu - CC BY-NC 3.0

Stengels: De lange bladsteel is aan de voet zwart, maar wordt naar boven toe groen en de onderkant is licht-wollig behaard. De stengels en bladeren sterven in de herfst  bovengronds af.


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Timo Newton-Syms - CC BY-SA 2.0

Bladeren: Het eerst opgerolde blad is wollig behaard, maar de beharing verdwijnt later grotendeels. De onderste twee zijassen zijn afzonderlijk opgerold (het lijkt op een klauw). Het eerste paar blaadjes aan iedere zijas ontrolt zich volledig, terwijl de volgende blaadjes nog helemaal ingerold zitten. Aan het begin van de zomer hebben de grote lichtgroene bladeren zich helemaal ontvouwd. De bladen zijn in omtrek driehoekig tot breed eirond, twee- tot viervoudig geveerd en worden tot meer dan twee meter lang. De onderste bladparen hebben horizontale, geveerde deelblaadjes. Deze zijn meestal smal driehoekig, gaafrandig tot gelobd en stomp of iets puntig. Het bovenste deel van het blad buigt opzij. Naar boven toe zijn er steeds minder samengestelde blaadjes. De bladrand is enigszins omgerold.


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Olegivvit - CC BY-SA 3


Olegivvit - CC BY-SA 3.0

Vruchten: Sporen. De vruchtbare bladeren zijn gelijk van vorm als de onvruchtbare. De lijnvormige sporendoosjes zitten onder de half omgeslagen bladranden. De sori worden aanvankelijk door twee vliezen bedekt: de bladrand en een dekvliesje. De vliezige bladrand is begroeid met haren. Vaak zijn er echter maar weinig sporen. De sporen zijn zeer kort levend (korter dan één jaar).


João Medeiros - CC BY 2.0


Johan N - CC BY-SA 3.0


Andrea Moro - CC BY-SA 4.0


© Malcolm Storey - CC-BY-NC-SA-2.0 uk

Biotoop

Bodem: Zonnige tot halfschaduwde plaatsen op droge, matig voedselarme, stikstofarme, zure grond met veel ruwe humus. Het instuiven van meststoffen leidt tot uitbreiding (op zand, leem, veen of uitgeloogde duingrond). Pionier.

Groeiplaatsen: Bossen (loofbossen en oude naaldbossen), bosranden, kapvlakten, brandplekken, struwelen op uitdrogend hoogveen, heide (heideranden), langs spoorwegen (spoordijken), zeeduinen (ontkalkte binnenduinen), akkers (akkerranden), bermen, muren, basaltglooiingen, ruderale plaatsen en droogvallende zandplaten in het Deltagebied.

Verspreiding

Wereld: Wereldwijd, maar niet in de grote woestijngebieden, de poolstreken en het Amazonebekken.


gbif.org

Nederland: Algemeen in het midden, zuiden en noordoosten van het land en vrij zeldzaam in de Hollandse en de Zeeuwse binnenduinen. Elders zeer zeldzaam.
Rode lijst 2012. Thans niet bedreigd. Trend sinds 1950: stabiel of toegenomen. Algemeen. Oorspronkelijk inheems.


Verspreidingsatlas.nl

Vlaanderen: Algemeen, maar zeer zeldzaam in het kustgebied.
Rode lijst. Thans niet bedreigd.

Wallonië: Algemeen, maar zeer zeldzaam in het kalkrijke zuiden van de Ardennen.

Toepassingen

Keuken: Jonge scheuten werden vroeger als sla gegeten. Ze werden ook gekookt en als asperges bereid. Het eten moet echter worden ontraden, want met name de oudere bladeren zijn giftig.

Vermeerderen: Scheuren.

Wetenswaardigheden

Daar waar de zijassen zich van de bladsteel afsplitsen heeft de Adelaarsvaren klieren, die een zoet smakend vocht kunnen afscheiden. De nectarafscheiding treedt alleen op bij de klieren ter hoogte van die zijassen, die zich pas gestrekt hebben, terwijl de hogere delen van het blad nog ingerold zijn. Mieren komen op de nectar af. Herkauwers worden zo weerhouden van het afbijten van de jonge bladtop.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 6, Jan Kops en Herman Christiaan van Hall (1832)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1888)


Bilder ur Nordens Flora, Carl Axel Magnus Lindman (1917-1926)


Svensk botanik, J.W. Palmstruch e.a. (1807-1838)


Flore médicale, deel 3, F.P. Chaumeton (1830-1832)


The ferns of Great Britain and Ireland, T. Moore (1855)


Ferns (a history of Ferns): British and exotic, deel 4, E.J. Lowe (1839)


Flora Parisiensis, deel 4, P. Bulliard (1776-1781)


Botanischer Bilderatlas nach dem natürlichem Pflanzensystem, K. Hoffmann, E. Dennert (1911)


English Botany, or Coloured Figures of British Plants, deel 12, J.E. Sowerby (1886)


Herbier de la France, deel 6, P. Bulliard (1776-1783)


Hortus Romanus juxta Systema Tournefortianum, deel 8, Giorgio Bonelli (1783-1816)


New Kreüterbuch, L. Fuchs (1543)

© 2001-2018 K.M. Dijkstra