Wilde planten in Nederland en BelgiŽ

Appel - Malus sylvestris

Frysk: Apelbeam

English: Crab Apple

FranÁais: Pommier sauvage

Deutsch: Holzapfel

Synoniemen: Eetappel, Malus x domestica, Malus sylvestris subsp. mitis, Pyrus malus, Malus acerba, Malus pumila

Familie: Rosaceae (Rozenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Malus stamt af van het Keltische awal. In sommige Keltische dialecten is het woord afal (in het Iers ubhal) nog steeds in gebruik voor appel. Sylvestris betekent in het bos groeiend. Domestica betekent gecultiveerd.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Boom.

Winterknoppen: Fanerofyt.

Hoofdbloei: April en mei.

Afmeting: 2-10 meter.


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl

Stam: De grijsbruine schors is gespleten en geschubd.


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl

Takken: Takken met horizontale lenticellen. Bij de wilde vorm eindigen de takken vaak in dorens (bij de Eetappel is dat niet zo).


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl

Bladeren: De bladsteel is korter dan de bladschijf (meestal half zo lang). De 3-5 cm lange bladeren zijn eirond, bijna rond tot elliptisch, zelden langwerpig, kort toegespitst, ongelijk fijn gezaagd (enkel of dubbel gezaagd), met een iets naar beneden omgerolde rand en van onderen met uitspringende zijnerven. De bladen worden spoedig kaal (bij gecultiveerde appels blijven ze van onderen behaard tot viltig). De korte, 1Ĺ-3Ĺ mm lange (zelden tot 5 mm) steunblaadjes zijn priemvormig en vallen vroeg af. Ze worden vaak vroeg kaal.


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl

Bloemen: Tweeslachtig. De bloemstelen met steelblaadjes zijn kaal (bij de Eetappel behaard). De welriekende, grote (2-4 cm) bloemen zijn vijftallig (vijf kroonbladen en vijf kelkbladen) en staan meestal met weinig bijeen in vlakke, schermvormige trossen. Ze hebben witte tot roze kroonbladen en gele helmknoppen. De stijlen zijn aan de voet vergroeid. Het vruchtbeginsel is onderstandig. De buitenzijde van de kelkbladen zijn kal (bij de Eetappel behaard).


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl

Vruchten en zaden: Een pitvrucht. De geelachtig groene appels van de wilde vorm zijn vrij rond en 1-3,5 cm in doorsnee. Ze zijn hard en wrang en vrijwel zonder steencellen. Cultuurvormen zijn groene, geel of rood, veel groter (meestal meer dan 5 cm breed) en veel beter van smaak. Tweezaadlobbig.


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl


©2006 Digital Plant Atlas - cc by-nc-sa 3.0 nl

Biotoop

Bodem: Zonnige tot half beschaduwde, warme plaatsen op vochtige, matig voedselrijke, neutrale tot vaak kalkhoudende grond (leem, stenige grond en rivierzand).

Groeiplaatsen: Bossen (loofbossen), bosranden, houtwallen, heggen, struwelen, verlaten boomgaarden, bermen, langs spoorwegen en waterkanten (langs sloten).

Verspreiding

Wereld: Appel (Malus sylvestris): Oorspronkelijk uit Europa, noordelijk tot in Midden-ScandinaviŽ en ook in Zuidwest-AziŽ.

Eetappel (Malus x domestica): In vrijwel alle werelddelen.

Nederland: Inheems. Algemeen. De wilde vorm is vrijwel verdwenen door bastaardering met gekweekte, verwilderde appels.

Vlaanderen: Inheems. Vrij algemeen. De wilde vorm is zeldzaam.

Malus sylvestris

Malus ◊ domestica


WalloniŽ: Inheems. Vrij algemeen. De wilde vorm is vrij zeldzaam.

Toepassingen

Medicinaal: Vroeger gebruikte men gegist sap van wilde appels als geneesmiddel bij brandwonden en verstuikingen.

Keuken: Men onderscheidt zure appels (geschikt als handappels en voor appelmoes) en zoet appels (o.a. geschikt voor hete bliksem en gekookt als bijgerecht). Appels worden verwerkt in cider.

Cultuur: Wilde appel wordt vaak gebruikt als onderstam voor gekweekte appelrassen. Het hout is zeer geschikt voor snijwerk en brandhout. Gekweekte rassen stammen van diverse Aziatische en Europese vormen af. De appel werd al 10.000 v.Chr. in Europa in het wild verzameld en al in in 4000 v.Chr in het Midden-Oosten geteeld. In Centraal-AziŽ komen meer dan 25 wilde appelsoorten voor, waarmee de gekweekte appel zich in de loop der eeuwen heeft gekruist. Geselecteerde rassen werden later instandgehouden door de Chinezen d.m.v. enten. De Romeinen hebben de rassen verder verspreid over West-Europa.

Vermeerderen: Zaaien. Als je appelpitten zaait, dan kunnen er vele vormen ontstaan, zoals appelbomen met grote, kleine, lekkere, zoete, zure of wrange appels. Door een takje van een boom met goede vruchten te enten op een andere krijg je wel twee goede bomen. Deze methode van fruitbomen vermeerdering is mogelijk door middel van enten, oogenten en oculeren.

2001-2022 K.M. Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl