Wilde planten in Nederland en België

Beemdlangbloem - Schedonorus pratensis

Frysk: Ringers

English: Meadow Fescue

Français: Fétuque des prés

Deutsch: Wiesen-Schwingel

Synoniemen: Festuca pratensis, Lolium pratense

Familie: Poaceae (Grassenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Raaigras komt van het Engelse rye-grass.Festuca komt van het keltische fest (weiland). Pratensis betekent in weiden groeiend.

Kruisingen: Trosraaigras is de bastaard (hybride) van Beemdlangbloem en Engels raaigras. Beemdlangboem kan eveneens een kruising vormen met Italiaans raaigras (Festulolium x braunii).

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Hemikryptofyt

Hoofdbloei: Juni t/m september.

Afmeting: 30-100 cm.


Matt Lavin -
CC BY-SA 2.0


Daderot - Public Domain


Daderot - Public Domain


Thomas Mosgaard -
CC BY 4.0

Wortels: Geen wortelstokken en geen uitlopers.


herbariaunited.org


herbariaunited.org


herbariaunited.org


herbariaunited.org

Stengels: Losse pollen vormend.


Florent Beck - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


Matt Lavin -
CC BY-SA 2.0


© Margriet Kampman/Jan van der Meer
- CC BY-NC-ND 3.0

Bladeren: De donkergroene bladen zijn van onderen glanzig, 10-20 cm lang en 3-5 mm breed. De oortjes aan de voet van de bladschijf zijn kaal (niet gewimperd). Het tongetje is vrij kort, groenig, niet doorzichtig, vaak omgekruld en komt niet boven de bladschede uit. De onderste bladscheden verweren tot bruine vezels.


Matt Lavin -
CC BY-SA 2.0


Matt Lavin -
CC BY-SA 2.0


Kristian Peters -
CC BY-SA 3.0


bertrant.bui - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR

Bloemen: Tweeslachtig. Een losse, slanke, voorover neigende, 10-20 cm lange pluim met vrij weinig bloemen. De 9-11 mm lange aartjes zijn min of meer naar één kant gekeerd. Voor en na de bloei zijn ze samengetrokken. Meestal heeft elk aartje zeven of acht geelgroene of paarsachtig gevlekte bloemen (zonder kafnaald). Op de onderste knoop van de bloeiwijze staan meestal twee takken (soms één) met een klein aantal aartjes. De kortste tak met 1-3 aartjes en de langste met drie tot zes aartjes (zelden beide met één aartje). Het lemma is 6-7 mm lang, zonder of met een tot 1½ mm lange naald. De kelkkafjes verschillen weinig in lengte (lengteverschil ca. 1 mm).


T. Voekler -
CC BY-SA 3.0


T. Voekler -
CC BY-SA 3.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Bildoj -
CC BY-SA 3.0

Vruchten: Een graanvrucht. De zaden zijn zeer kort levend (korter dan één jaar). Eenzaadlobbig.


plants.usda.gov - Steve Hurst


Matt Lavin -
CC BY-SA 2.0


Matt Lavin -
CC BY-SA 2.0


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: onnige plaatsen op vochtige tot natte, matig voedselrijke tot zeer voedselrijke, min of meer humeuze, zwak zure tot kalkhoudende grond (klei, leem, lemig of humeus zand en laagveen).

Groeiplaatsen: Grasland (hooiland, weiland, uiterwaarden, beekdalgrasland en in reliëfrijke weiland langs kreken), bermen, dijken, afgravingen (leemgroeven en kleigroeven).

Verspreiding

Wereld: Europa en West- en Midden-Azië. Ingeburgerd in o.a. Noord-Amerika.

Nederland: Algemeen.

Vlaanderen: Vrij algemeen.
Wallonië:
Plaatselijk vrij algemeen.

Toepassingen

Cultuur: Maaien verdraagt Beemdlangbloem zeer goed, evenals lichte begrazing. Het is een prima voedergras, maar tegenwoordig zie je haar veel minder in cultuurgrasland dan Engels raaigras. Zij vormt een minder aaneengesloten grasmat en is niet goed bestand tegen intensieve beweiding. Ze kan snel worden verdrongen door Engels raaigras. In hooiland geeft Beemdlangbloem een hogere opbrengst. Voor vorst is zij minder gevoelig dan Engels raaigras, maar gevoeliger dan Gewoon timoteegras en Veldbeemdgras.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 7, Jan Kops en Herman Christiaan van Hall (1836)


Repräsentanten einheimischer Pflanzenfamilien in bunten Wandtafeln mit erläuterndem Text, C. Bollmann (1879-1882)


Lehrbuch der Botanik für Gymnasien, Realschulen, forst- und landwirthschaftliche Lehranstalten, pharmaceutische Institute etc. sowie zum Selbstunterrichte (1872)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1888)

Svensk botanik, J.W. Palmstruch e.a. (1807-1838)

Bilder ur Nordens Flora, Carl Axel Magnus Lindman (1901-1905)

Flora Londinensis, deel 6, William Curtis (1789-1798)


British phaenogamous botany, deel 5: W. Baxter (1834-1843)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL