Wilde planten in Nederland en België

Bergzegge - Carex montana

Frysk:

English: Soft-leaved Sedge

Français: Laîche des montagnes

Deutsch: Berg-Segge

Synoniemen:

Familie: Cyperaceae (Cypergrassenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Zegge stamt uit het Indogermaanse woord seq (snijden). Carex is zeer waarschijnlijk afgeleid van het Latijnse ceiro (k snij), een verwijzing naar de scherpe kanten van de bladeren. Montana betekent van de bergen.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Hoofdbloei: April en mei.

Afmeting: 15-30 cm.


Daderot -
CC0


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0


Hermann Schachner - Public Domain


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0

Wortels: Een stevige, houtige wortelstok, omgeven door de bruinvezelige blad- en schubresten.


Neuchâtel Herbarium - CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium - CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium - CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium - CC BY-SA 3.0

Stengels: Dichte zoden vormend. De dunne stengels zijn slap. Zelden staan ze min of meer stijf rechtop. Ze zijn (tenslotte) korter dan de bladen en alleen onderaan bebladerd.


Florent Beck - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Petr Filippov -
CC BY 3.0


Krzysztof Ziarnek -
CC BY-SA 4.0


pedicularissylvatica -
CC BY-NC 4.0

Bladeren: De onderste bladscheden zijn bloedrood gekleurd. De vlakke, slappe bladen zijn 1-2 mm breed en de bovenkant is (min of meer ruw) behaard.


Daderot -
CC0


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0


Nikolay Panasenko -
CC BY-NC 4.0


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0

Bloemen: Eenslachtig. Eenhuizig. De schutbladen lijken op de kafjes, zijn stengelomvattend, met een meestal korte of soms iets langere bladtop. Meestal korte bloeiwijzen met één mannelijk aartje en (dicht bij de voet van het mannelijk aartje) één tot drie (meestal twee) zittende, eivormige tot bijna bolvormige, rechtopstaande, tot 0,75 cm lange vrouwelijke aartjes. Bloemen met drie stempels. De omgekeerd eironde, stekelpuntige kafjes zijn donkerpaars tot zwartbruin met een lichtere middenstreep en meestal ook een lichtere rand. Ze zij korter dan de urntjes. Het mannelijke aartje staat aan de stengeltop en is iets dik cylindrisch tot cylindrisch-lancetvormig of meestal cylindrisch-knotsvormig. De kafjes zijn eirond, stekelpuntig, aan de voet (meestal niet aan de rand) lichter, overigens zijn ze gelijk aan die van de vrouwelijke aartjes.


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0


Florent Beck - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Florent Beck - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0

Vruchten: Een eenzadige dopvrucht of nootje. De driekantige, langwerpig-omgekeerd eironde urntjes zijn 3-4 mm lang, kort dicht ruw behaard en plotseling in de korte snavel versmald. Ze zijn lichtgroen, maar aan de voet vaak bruin en aan de top vaak donker gekleurd. De vrucht is eirond, driekantig en bijna wit. Eenzaadlobbig.


Stefan.lefnaer - CC BY-SA 4.0


Alessandro Federici -
CC BY-NC-ND 4.0


Alessandro Federici -
CC BY-NC-ND 4.0


Stefan.lefnaer - CC BY-SA 4.0

Biotoop

Bodem: Licht beschaduwde tot zonnige plaatsen op droge, kalkrijke grond.

Groeiplaatsen: Bossen (loofbossen), bosranden en grasland (kalkgrasland).

Verspreiding

Wereld: Midden-Azië en Oost- en Midden-Europa, westelijk tot in België en Groot-Brittannië.

Nederland: Niet in Nederland.

Vlaanderen: Niet in Vlaanderen.
Wallonië:
Zeldzaam in het Maasgebied en de zuidelijke Ardennen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Deutschlands Flora in Abbildungen, Jacob Sturm und Johann Georg Sturm


Deutschlands flora, deel 1, J. Sturm, J.W. Sturm (1796-1798)


Pflanzenleben des Schwarzwaldes, Friedrich Oltmanns (1927)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)


No. 29 en No. 153
Beschreibung und Abbildung der theils bekannten, theils noch nicht beschriebenen Arten von Riedgräsern, C. Schkuhr (1801)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL