Wilde planten in Nederland en België

Blauwe zegge - Carex panicea

Frysk: Blaugerssigge

English: Carnation sedge

Français: Laîche faux Panic

Deutsch: Hirsesegge

Synoniemen:

Familie: Cyperaceae (Cypergrassenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Zegge stamt uit het Indogermaanse woord seq (snijden). Carex is zeer waarschijnlijk afgeleid van het Latijnse ceiro (ik snij), een verwijzing naar de scherpe kanten van de bladeren. Panicea betekent op Panicum (Gierst) gelijkend.

Kruising: Blauwe zegge kan een bastaard vormen met Zeegroene zegge (Carex x albertii).

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Hemikryptofyt of geofyt.

Hoofdbloei: April en mei.

Afmeting: 5-70 cm.


David Mercier - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Karelj -
CC BY-SA 3.0


Javier Martin - Public Domain


Jacques Maréchal - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR

Wortels: Krachtige, kruipende, aan de top vaak vrij dikke wortelstokken, die aan de top vaak dicht met de bruine, zelden witte, rafelende overblijfselen van afgestorven scheden is bezet en met uitlopers.


herbariaunited.org


herbariaunited.org


herbariaunited.org


Herbier Pontarlier-Marichal - Public Domain

Stengels: De grijsgroene, meestal rechtopstaande, gladde stengels zijn stomp driekantig. Ze zijn alleen onderaan bebladerd.


Pelnik -
CC BY-SA 3.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0

Bladeren: De onderste bladen hebben bruine, niet rafelende scheden (behalve de oudere). De vlakke bladn zijn 2-4 mm (zelden tot 6 mm) breed. Vaak staan ze wijd af. Ze zijn vrij ruw en versmald (toegespitst) in een driekantige top. Beide bladkanten zijn blauwachtig.


Kristian Peters -
CC BY-SA 3.0


Joan Martin - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


A.Poirel - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Bartosz Cuber -
CC BY-SA 3.0

Bloemen: Eenslachtig. Eenhuizig. De meestal stijf rechtopstaande schutbladen zijn veel korter dan de bloeiwijze. Het onderste schutblad heeft een 1-2 cm lange schede, die de steel van de onderste aar omhult. De bloemen vormen een losse bloeiwijze met één mannelijke aar bovenaan en daaronder één of twee (zelden drie) rechtopstaande, losbloemige (vooral aan de voet), rechtopstaande vrouwelijke aren. Ze zijn 1-3 cm lang, rolrond en vaak lang gesteeld. Elke bloem heeft drie stempels. De kafjes zijn eirond, iets spits, donker purperbruin (bijna zwart) met lichte of groene middenstreep, zij zijn ten slotte korter dan de urntjes. Het mannelijke aartje is cylindrisch en staat meestal stijf rechtop. De kafjes zijn langwerpig, stomp of spitsachtig. Ze zijn lichter dan die van de vrouwelijke, met een lichtbruine of bruingele middenstreep en vaak witvliezig gerand.


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiant -
CC BY-SA 4.0


Hugo.arg -
CC BY-SA 3.0


Joan Martin - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Marie Portas - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR

Vruchten: Een eenzadige dopvrucht of nootje. De gladde, 3-4 mm lange urntjes zijn bolvormig tot eirond (ze lijken als het ware opgeblazen). Ze hebben twee of drie zeer zwakke nerven en een duidelijke snavel. De urntjes zijn eerst geelgroen, maar in de vruchttijd veel donkerder van kleur (gelig bruin). Het zeer korte, dikke snaveltje staat dan scheef. De vruchtjes zitten niet erg dicht op elkaar en los in de urntjes. Ze zijn weinig langer dan 2 mm, driekantig, omgekeerd eirond en bruinachtig geel. De zaden zijn kortlevend (één tot vijf jaar). Eenzaadlobbig.


Pelnik -
CC BY-SA 3.0


Hugues Tinguy - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Jean-Louis Cheype - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige plaatsen op vochtige tot natte, voedselarme tot soms matig voedselrijke, niet of licht bemeste, zwak zure, humeuze tot venige grond (zand, leem, löss, potklei, zavel en veen).

Groeiplaatsen: Grasland (hooiland en blauwgrasland), heide (open plekken en plagplekken), gemaaide, onvergraven stroken veen, moerassen (vrij jong veenmosrietland), bermen, waterkanten (slootkanten en steile wanden van beekdalletjes), afgravingen (leem), op de bovenrand van kalkhellingen, zeeduinen (duinvalleien, afgeplagde duinheide, binnenduingrasland, langs duinpaadjes en in duinvalleien).

Verspreiding

Wereld: Midden-Azië, de Kaukasus en in Europa, behalve in de meest zuidelijke en zuidoostelijke delen. In oostelijk Noord-Amerika is zij vermoedelijk en in Nieuw-Zeeland is zij zeker ingevoerd en ingeburgerd.

Nederland: Plaatselijk vrij algemeen in het oosten en midden van het land, in de duinen, op de Waddeneilanden en in laagveengebieden. Zeldzaam in Zuid-Limburg en in het rivierengebied en zeer zeldzaam in zeekleigebieden.

Vlaanderen: Vrij algemeen in de Kempen. Elders zeldzamer.
Wallonië:
Vrij algemeen in de Ardennen. Elders zeldzamer.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 5, Jan Kops en Herman Christiaan van Hall (1828)


Deutschlands Flora in Abbildungen, Jacob Sturm und Johann Georg Sturm


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1888)


Bilder ur Nordens Flora, deel 2, Carl Axel Magnus Lindman (1922-1926)


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)


Beschreibung und Abbildung der theils bekannten, theils noch nicht beschriebenen Arten von Riedgräsern, C. Schkuhr (1801)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL