Wilde planten in Nederland en België

Heemtuin, wildeplantentuin en natuurtuin

In dit blog verduidelijk ik de begrippen heemtuin, wildeplantentuin en natuurtuin. Vaak worden deze namelijk door elkaar gebruikt. Ook ga ik in op het aanleggen en onderhouden van een natuurtuin.

Heemtuin

Een heemtuin is een tuin met alleen inheemse of ingeburgerde planten (planten die hier oorspronkelijk niet thuis horen, maar intussen wel tot onze flora worden gerekend).

Het kan een tuin zijn met alleen maar soorten die in heel België of Nederland thuishoren, maar een heemtuin met regionale wilde planten kan ook.


Een heemtuin kan een natuurtuin zijn, maar ook een wildeplantentuin.


Er zijn ook hele grote, openbare heemtuinen (heemparken), maar in dit blog gaat het alleen over heemtuinen van particulieren.


Mijn bosrandtuin in het voorjaar.


Mijn wildeplantentuin

Als je een wat kleinere tuin hebt kun je het beste kiezen voor een wildeplantentuin. Voor een echte natuurtuin ben je veel meer ruimte nodig.
Wat wel heel goed zou kunnen is een gazon dat niet als gazon wordt beheerd, maar waar de veldbloemen en het gras kunnen doorgroeien, waardoor een bloemrijk grasveld kan ontstaan.
Je kunt een geregeld gemaaid "pad" in het bloemenveld aanhouden, zodat je door het bloemenveld kunt lopen zonder de vegeatie plat te lopen.

Wildeplantentuin

Een wildeplantentuin is een tuin met, hoe kan het ook anders, wilde planten.

Een dergelijke tuin wordt min of meer beheerd zoals een "gewone" tuin, maar dan alleen met wilde planten. Dit kunnen planten zijn uit een bepaald gebied of land, maar er kunnen eventueel ook wilde planten aanwezig zijn uit andere landen.

Uiteraard wordt wel rekening gehouden met de condities die bepaalde planten hebben. Denk bijv. aan de vochtigheidsgraad van de bodem, maar ook of een plant het liefst in de schaduw, halfschaduw of in de zon groeit. Een bosplant hoort dus niet thuis op een zonnige plek en een moerasplant niet op een droge plek.

Twee voorbeelden van een wildeplantentuin zijn: een bloemenveld en een heidetuin. Planten van akkers kunnen hiertoe ook worden gerekend, omdat voor akkerplanten de grond regelmatig moet worden bewerkt. Ook voor andere pionierplanten moeten open plekjes in de tuin worden gecreëerd. Doe je dit niet, dan verdwijnen de akkerplanten en pionierplanten na verloop van tijd.

De niet gewenste soorten kunnen in zulke tuinen worden weg gewied.


Mijn wildeplantentuin

Natuurtuin

Er zijn verschillende soorten natuurtuinen, zoals een bos, een bosrand, een gemetselde (liefst kalkrijke) of gestapelde muur, een moeras, een hooiland en een vijver of sloot. In deze natuurlijke tuinen groeien alleen planten die in het betreffende milieu thuishoren.

Helemaal zonder onderhoud kunnen ook deze tuinen niet. Als een plant te veel ruimte opeist kun je een deel verwijderen. Vijvers en sloten moeten zo nu en dan worden opgeschoond, omdat ze anders helemaal dichtgroeien en uiteindelijk veranderen in een moeras.


Mijn watertuin

In een bos of langs een bosrand moet je soms ook ingrijpen, anders kunnen bepaalde soorten de andere planten volledig overwoekeren, waardoor deze dreigen te verdwijnen.


Boerenkrokussen in het vroege voorjaar

                     


Mijn moerastuin

Een graslandbiotoop (hooiland) moet je één of soms twee keer per jaar maaien, anders verandert het grasland met al zijn bloemen uiteindelijk in een bos.

Belangrijk hierbij is dat het maaisel wordt afgevoerd. Je kunt het composteren om het daarna weer te gebruiken in bijv. de moestuin.

Aanleg en onderhoud van een natuurtuin

Het aanleggen van een natuurtuin vergt nogal wat inspanning en denkwerk. De eerste jaren na de aanleg moet er ook nog vrij veel werk worden verzet, maar als de tuin eenmaal "tot rust" is gekomen is het onderhoud over het algemeen minder intensief. Het beperkt zich dan tot snoeiwerk in het bos of aan de bosrand, het opschonen van een vijver en het maaien en afvoeren van de begroeiing van het hooiland.

Bos(je), bosrand of struikgewas

Als je geluk hebt staan er al een aaantal bomen en/of struiken in de tuin. Deze kun je dan fijn inpassen in het creëren van jouw bostuin. Mochten de bomen en struiken echer niet op de door jou beoogde plek staan dan kun je ze misschien nog verplaatsen. Jonge bomen en struiken kun je uitgraven en ze op de juiste plek opnieuw in de grond te zetten.

In mijn tuin stonden ook al een aantal eiken, berken en Spaanse aken. Deze bomen pasten prima in mijn bostuin. Daarnaast waren er een heleboel Fijnsparren aangeplant, die ooit bedoeld waren om te worden verkocht als kerstboom. De mooiste bomen waren echter al verdwenen. Alleen de minder fraaie bomen waren nog over gebleven. Bovendien waren deze al te groot geworden om als kerstboom te dienen in een huiskamer. In de loop der jaren heb ik dit sparrenbosje geleidelijk omgevormd tot een loofbosje. Op dit moment is er nog maar één grote sparrenboom overgebleven. Tot een paar jaar geleden waren er nog drie, maar daarvan is één is gesneuveld door een zware storm en de andere is slachtoffer geworden van de droogte en de beruchte kever, die voor een massale sterfte van de Fijnspar zorgt.

Probeer altijd met inheemse bomen en struiken te werken en dan bedoel ik planten die hier van nature voor komen. En dan bedoel ik boomsoorten, zoals zomereiken, uit onze omgeving en niet uit bijv. Midden- of Zuid-Europa. Bomen en struiken die bij ons voorkomen zijn namelijk aangepast aan ons klimaat. Er zijn verschillende boomkwekers die deze kunnen leveren.

Voordat je start met de aanplant van bomen en struiken kun je enig hoogteverschil in de bodem aanbrengen. Dat maakt later het bos meer gevarieerd. Hoe groter het toekomstige bos hoe meer niveauverschillen je kunt toepassen.

 


Onderbegroeiing van o.a. Gele anemoon en Vvingerhelmbloem.

Na een jaar of tien begint het een beetje op een echt (jong) bos te lijken. Je hebt dus wel veel geduld en tijd nodig.


Er gaat ook wel eens iets mis. Zo is deze berk geveld door een zware storm.

Je kunt ook al vast het traject van het pad of paden in het nog te vormen bos bepalen. Probeer de paden wat slingerend aan te leggen. Dat is bij natuurbos(je) veel mooier dan een strak recht pad. Daarbij kun je er voor kiezen om het bospad of de bospaden enigszins verlaagd aan te leggen, waardoor je later min of meer het idee krijgt van een " holle weg" . De eerste jaren kun je de paden onderhouden door te maaien. Als het bos eenmaal gesloten is is dat niet meer nodig. Het is dan een echt bospad geworden.

De eerste jaren na de aanplant hebben de bomen en struiken extra aandacht nodig. Er is nu nog geen bosmilieu. Dat duurt nog wel enige jaren. Zorg dat het houtgewas goed kan groeien en niet min of meer wordt verstikt door hoog opgroeiend gras e.d. Dit kan door een mulchlaag om de jonge stammetjes te leggen, zodat de woekerende grassen en kruiden minder kans hebben om de nieuwe aanplant te verstikken.


Hartbladzonnebloem aan de bosrand in mijn heemtuin

Het aanplanten van bos- en bosrandplanten kan pas na enige jaren als het bosje zo ver is door gegroeid dat er enige schaduw is ontstaan. In het begin zul je de bosplanten nog wel een handje moeten helpen, omdat ook de bodem nog niet een echte bosbodem is. Denk hierbij aan wieden om woekerende soorten enigszins in toom te houden.


De bostuin na een ontwikkeling van meer dan dertig jaar.

Hooiland


Het hooilandje in het vroege voorjaar met Gulden sleutelbloemen en op de achtergrond twee Jeneverbessen.

Het is het beste om de voedselrijke toplaag voor de echte aanleg van de natuurtuin te verwijderen. De grond die zo vrij komt kun je, samen met de grond van een eventuele vijver of moeras, gebruiken om hoogteverschillen te maken in het toekomstige natuurbosje.
Als je de toplaag niet verwijderd kan het heel lang duren voordat de bodem door het jaarlijks afvoeren van het maaisel zo ver is verarmd dat er veel soorten een plekje kunnen vinden. Zandgrond verarmt daarbij wel veel sneller dan een kleibodem.

Alleen al door het creëren van hoogteverschillen zorg je ervoor dat droge plekken worden afgewisseld met meer vochtige plekken. De verschillen in hoogte moeten geleidelijk zijn. Dat geldt ook voor de andere overgangen, zoals die van kalkrijke naar kalkarme, voedsealrmere naar voedselrijkere grond.
Juist in die overgangszones is de soortenrijkdom het grootst.

Veengrond komt altijd lager te liggen dan zandgrond. Dit is in de natuur ook het geval. Kalkrijke grond moet ook altijd lager komen te liggen dan de kalkarmere grond. Als je dat andersom zou doen wordt de kalkarme grond door het uitspoelen van de bovenliggende grond steeds kalrijker. Voedselrijkere grond komt hoger te liggen dan de er naast gelegen voedselarmere grond. Andersom zou de voedselarme grond door uitspoelig steeds voedselrijker worden.

In mijn tuin heb ik naast een regelmatig gemaaid hoofdpad rondom het hooiland ook enkele smallere schelpenpaadjes dwars door het hooiland. De schelpen zorgen ervoor dat de grond ernaast kalkrijker wordt. Op de meer vochtige plekken in mijn tuin is dit een ideale plek voor de Moeraswespenorchis.
Een nadeel van dergelijke smalle schelpenpaadjes is dat ze in een jaar tijd behoorlijk begroeid raken. Wil je de schelpenpaadjes goed zichtbaar houden dan moet je eigenlijk ieder jaar de erop groeiende planten verwijderen.

Voor een snel resultaat zijn in de handel zijn zaden van inheemse planten verkrijgbaar, evenals zaadpaketten speciaal voor het hooiland. Hier kun je dankbaar gebruik van maken. Kies dan wel voor de zaden van planten die van nature op jouw bodemsoort thuishoren. Je zult ontdekken dat bepaalde planten het heel goed gaan doen, terwijl andere soorten totaal niet aanslaan.
Je kunt er ook voor kiezen om de grond, na het verwijderen van de toplaag, niet in te zaaien, maar alles op een natuurlijke manier te laten ontwikkelen. Op zich is dit ook interessant omdat je zo mooi kunt zien hoe een dergelijke ontwikkeling zich voltrekt. In het beginstadium zul je zien dat pionierplanten (vooral een- en tweejarige planten) de begroeiing gaan vormen. Later nemen de overblijvende planten het meer over. Er zullen echter altijd kleine open plekjes blijven waar ook de kortlevende planten unnen kiemen. Mollen kunnen voor die open plekken zorgen, maar ook door het maaien kan de bodem plaatselijk wat worden verstoord. Het nadeel van deze werkwijze is dat de soortenrijkdom erg afhankelijk is van de zaden die nog in de bodem zitten (sommige zaden kunnen wel tientallen jaren kiemkrachti blijven) of van de planten in de directe omgeving. Natuurlijk kun je na enkele jaren alsnog zelf zaden uitstrooien om de soortenrijkdom uit te breiden..

Het hooiland moet waarschijnlijk in het begin twee keer per jaar worden gemaaid (één keer in juni/juli en één keer in de herfst). De beste periode om te maaien is vlak voor het gras gaat "liggen". Het liefst bij droog, zonnig weer. Je kunt ook delen waar nog volop bloemen bloeien later maaien tot de planten zaad hebben gevormd. Het maaisel moet worden afgevoerd. Hierdoor wordt de bodem langzamerhand iets voedselarmer, waardoor na enige jaren het maaien mogelijk maar één keer per jaar (in de herfst) hoeft te worden gedaan.
Je kunt er ook voor kiezen om kleine delen van het hooiland niet of pas in het voorjaar te maaien, zodat bepaalde insecten daar kunnen overwinteren.

De aanleg van een soortenrijk hooiland vraagt een gedegen voorbereiding.
Er zijn een aantal zaken waar je rekening mee moet houden.
Hieronder volgt een korte opsomming van aandachtspunten. Verderop in dit blog ga ik dit verduidelijken.

* Verwijder de voedselrijke toplaag.

* Zorg dat er hoogteverschillen komen.

* Drogere plekken afwisselen met meer vochtige of natte plekken.

* Indien mogelijk moeten er meerdere grondsoorten zijn.

* Voedselarme en iets voedselrijkere grond.

* De voedselarmere grond komt hoger te liggen dan de wat voedselrijkere grond.

* Kalkarme en kalrijke grond.

* De kalkarme grond komt hoger te liggen dan de kalrijke grond.

* Zorg steeds voor geleidelijke overgangen van de hierboven genoemde punten.

* Op voedselarme grond groeien meer plantensoorten dan op voedselrijke grond.

* Eventueel kun je, indien de ruimte het toelaat, ook een moerasje of een vijver toevoegen aan het hooiland.


Het hooilandje in de zomer met o.a Rietorchissen.

De samenstelling van het hooiland verandert na verloop van jaren door successie of door de klimaatverandering. De warme, droge zomers van de afgelopen jaren hebben ook in mijn hooiland voor verandering gezogd. Sommige soorten zijn verdwenen (zoals Parnassia) of sterk in aantal afgenomen (zoals de Moeraswespenorchis). Maar er zijn ook verrassingen, zoals twee exemplaren van de Gevlekte orchis die zich spontaan hebben gevestigd in mijn natuurtuin. De Breedbladige wespenorchis groeit, behalve in mijn natuurbosje, ook aan de rand van het hooiland. De Rietorchis komt in vochtige jaren veel meer tot bloeien dan in drogere jaren.

Als er veel bomen dicht bij het hooiland staan kan een dikke bladlaag het hooiland bedekken. Deze dikke bladlaag moet worden verwijderd omdat het de onderliggende kleinere planten kan verstikken. Ook zorgen de verterende bladeren voor het voedselrijker worden van de bodem. Iets wat je juist wil voorkomen. Eventueel kun je het blad tot in het vroege voorjaar laten liggen als toevlucht voor bepaalde insecten.

 


Een Rietorchis in het hooilandje


Het hooilandje in januari 2024

2001-2024 Klaas Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl