Wilde planten in Nederland en BelgiŽ

Brede waterpest - Elodea canadensis

Frysk: Breed wetterflok

English: Canadian Pondweed

FranÁais: Elodťe du Canada

Deutsch: Kanadische Wasserpest

Synoniemen:

Familie: Hydrocharitaceae (Waterkaardefamilie)

Naamgeving (Etymologie): Waterpest kan zich explosief uitbreiden en zorgde vroeger voor verstopte waterwegen, vandaar de naam waterpest. Elodea komt van het Griekse helodes (moerassig). Canadensis verwijst naar Canada.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Hydrofyt.

Hoofdbloei: Mei, juni, juli en augustus.

Afmeting: 30-300 cm.


Frank Vincentz -
CC BY-SA 3.0


AnRo0002 -
CC0


Michel Gaubert - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Chris Ecroyd -
CC BY-NC 4.0

Wortels: De wortels hebben vrijwel geen wortelharen. Ze dienen alleen om de plant in het slib te bevestigen. Ze komen uit de onderste stengelknopen.


Ursus Sapien - CC BY-SA 3.0


Robert H. Mohlenbrock - USDA-NRCS Plants Database


roman_romanov - CC BY-NC 4.0


Neuch‚tel Herbarium - CC BY-SA 3.0

Stengels: Een onbehaarde plant. De langgerekte, ondergedoken stengels zijn sterk vertakt. De stengelleden zijn overal vrijwel even lang, omstreeks 1 mm dik en dragen in de knopen vaak wortels. Een deel van de stengelleden is langer dan 2 cm. De stengels zijn zeer bros, worden gemakkelijk gebroken en vrijwel ieder stengelstuk groeit uit tot een nieuwe plant. De stengels sterven aan het oudste deel af, terwijl de jongste delen steeds door groeien. Als de plant uit het water wordt gehaald valt hij niet samen.


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiant - CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiant - CC BY-SA 4.0


Thierry Pernot - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Liliane Roubaudi - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR

Bladeren: De zeer ter bladeren drijven vlak onder het wateroppervlak. Aan de stengeltop liggen de bladeren als dakpannen tegen elkaar. Ze groeien in kransen van drie (zelden of vier of vijf), maar de onderste bladeren staan tegenover elkaar. Ze zijn smal langwerpig en worden tot 1,7 cm lang en 2 tot 3 mm breed. Een deel van de bladeren is echter breder dan 3 mm. Ze zijn langwerpig- eirond tot lijn-lancetvormig, plotseling afgerond stekelpuntig, naar voren versmald (een stompe tot afgeronde top met een zeer klein topspitsje) en eennervig. Aan elke kant zitten 21-23 tandjen (te zien bij sterke vergroting) en aan de voet (in de bladoksel) zitten twee kleine, eironde of bijna ronde, gaafrandige schubben. Ze wortelen en de planten treden vaak massaal op. In de herfst groeperen de bladkransen aan de stengeltoppen dichter opeen, maar vormen geen winterknoppen/ De plant overwintert groen onder water.


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiant - CC BY-SA 4.0


Ryan Hodnett -
CC BY-SA 4.0


Kristian Peters -
CC BY-SA 3.0


Bertrant Bui - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR

Bloemen: Eenslachtig. Tweehuizig. De bloemen zijn 4-5 mm. De witte of vaak roze kroonbladen zijn zestallig. Ze komen uit een eironde of lijnvormige, aan de top tweelobbige schede, die bij beide geslachten gelijk en vliezig is. De vrouwelijke bloemen zijn gesteeld of zittend in de bladoksels, schijnbaar boven de schede langgesteeld, maar in werkelijkheid met een in de schede zittend vruchtbeginsel, waarop een zeer lange, draadvormige bloemdekbuis staat met een zes-slippige zoom, die uit drie ovale, buitenste en drie rondachtige of langwerpig-eironde, iets langere, binnenste slippen bestaat. Daarbinnen zitten drie onvruchtbare meeldraden en drie tweelobbige, lijnvormige, purperkleurige stempels. Deze zitten op een lange stijl, die door de bloemdekbuis loopt en ermee vergroeid is. Het vruchtbeginsel is lijnvormig-langwerpig en eenhokkig. De stempels zijn 2-4 mm lang en de bloemdekbuis wordt tot 10 cm. De mannelijke bloemen zijn bijna zittend in een schede, alleenstaand in de bladoksels. Zij laten voor het opengaan los en drijven op de wateroppervlakte of bereiken deze op een lange steel. In deze bloemen zijn 3-9 meeldraden met aan de voet vergroeide helmdraden. De tweeslachtige bloemen hebben 3-6 meeldraden. In onze omgeving komen echter alleen vrouwelijke planten voor. Vermenigvuldiging vindt hier alleen op ongeslachtelijke wijze plaats. Waar mannelijke en vrouwelijke exemplaren wel voorkomen, heeft de bestuiving plaats, doordat de drijvende mannelijke bloemen door waterstromingen verplaatst worden naar de stempels van de vrouwelijke, die boven water uitsteken. Weinig bloeiend.


Christian Fischer -
CC BY-SA 3.0


© Biopix: JC Schou


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl

Vruchten: Een bes. De vrucht is langwerpig, bijna driekantig en ťťnhokkig met weinig zaden. De gladde zaden zijn spoelvormig. De planten krijgen in onze omgeving echter geen vruchten (dus geen geen zaadproductie). De planten verspreiden zich hier alleen vegetatief (via afgebroken stengeldelen).

Biotoop

Bodem: Zonnige plaatsen in helder, ondiep (maar soms tot 6 meter diep), stilstaand of rustig stromend, matig voedselrijk tot voedselrijk, zwak zuur tot kalkhoudend, bij voorkeur hard, zoet of zelden zwak brak water (vrijwel alle grondsoorten, zowel venig als humusarm, maar liefst boven een minerale bodem).

Groeiplaatsen: Water (vijvers, grachten, brede sloten, kanalen, afgesneden, oude rivierarmen, plassen, afgravingen en wielen) en zeeduinen (duinplassen).

Verspreiding

Wereld: Oorspronkelijk uit Noord-Amerika. Omstreeks 1820 ingeburgerd in Engeland. Rond 1900 in bijna heel Europa. Nu ook o.a. in AustraliŽ en Nieuw-Zeeland.

Nederland: Vrij algemeen. Zeer sterk afgenomen. Voor het eerst gevonden in 1859 bij Utrecht.

Vlaanderen: Plaatselijk vrij algemeen. Voor het eerst gevonden in 1861.
WalloniŽ:
Zeldzaam.

Wetenswaardigheden

Sinds1820 is Brede waterpest in het Verenigd Koninkrijk bekend en het rukte vanaf 1835 snel op door heel Europa, geholpen door botanici die de plant uitzetten om haar groeikracht te kunnen bewonderen. Brede waterpest breidde zich explosief uit en zorgde voor verstopte watergangen (vandaar de naam waterpest). De plant wordt veel toegepast in aquaria en vissenkommen om het water van meer zuurstof te voorzien. Als je een omgekeerde trechter boven de plant zet kun je de zuurstofbelletjes opvangen die geproduceerd worden in het zonlicht. Als de plant in het donker gezet wordt, zal ze stoppen met het produceren van belletjes.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 12, Jan Kops, P. M. E. Gevers Deijnoot en F. A. Hartsen (1865)


Bilder ur Nordens Flora, deel 3, Carl Axel Magnus Lindman (1922-1926)


English Botany, or Coloured Figures of British Plants, deel 9, J.E. Sowerby (1869)


The garden. An illustrated weekly journal of horticulture in all its branches, deel 18 William Robinson (1880)


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)


Annales des sciences naturelles. Botanique. Serie 3, deel 11 (1849)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL