Wilde planten in Nederland en BelgiŽ

Duinrus - Juncus anceps

Frysk: Dķnrusk

English: Northern green rush

FranÁais: Jonc aplati

Deutsch: Zweischneidige Binse

Synoniemen: Juncus alpinoarticulatus subsp. atricapillus

Familie: Juncaceae (Russenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Juncus komt van het Latijnse jungere (verbinden), omdat soorten van dit geslacht werden gebruikt als bind- en vlechtmateriaal.

Ondersoorten: Voorheen beschouwde men Alpenrus (Juncus alpinoarticulatus subsp. alpinoarticulatus) en Duinrus (Juncus alpinoarticulatus subsp. atricapillus) als twee ondersoorten. Beide ondersorten samen werden Rechte rus genoemd.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Bloeimaanden: Juli, augustus en september.

Afmeting: 30-60 cm.


Bas Kers - CC-BY-NC-SA-2.0


Bas Kers -
CC-BY-NC-SA-2.0


Bas Kers -
CC-BY-NC-SA-2.0


Erik Simons - CC BY 4.0

Wortels: Aan een vrij forse, enige millimeters dikke, kruipende wortelstok met gemiddeld 1-2 centimeter lange leden ontspringen rijen stengels.


gbif.org -
CC BY 4.0


Naturalis Biodiversity Center -
CC0-1.0


gbif.org -
CC BY 4.0


Naturalis Biodiversity Center -
CC0-1.0

Stengels: Rechtopstaand. De onderste takken van de bloeiwijze staan schuin rechtop. De stengels staan in rijen. De bloeistengels kunnen aan de voet al of niet omhuld zijn door een paar scheden zonder bladschijf.


Bas Kers - CC-BY-NC-SA-2.0


Inger Vedel - CC BY 4.0


Erik van Dijk - CC BY-NC-ND 4.0


Ward Langeraert - CC BY 4.0

Bladeren: De bladschijf is verdeeld in kamers door van buiten af zichtbare tussenschotten. Gemiddeld met drie volledige bladen.


© Biopix: JC Schou


© Biopix: JC Schou


© Biopix: JC Schou


Gertjan van Noord -
CC BY 4.0

Bloemen: Tweeslachtig. De bloeiwijze is meestal gedrongen. De bloemdekbladen (2-2Ĺ mm) zijn donker roodbruin tot bruinzwart, alle ongeveer even lang, de buitenste min of meer stomp, meestal met een spitsje iets onder de top. De helmknoppen zijn 0,7-1,3 mm. De onderste tak is meestal sterk verlengd en vertakt, zodat er twee bloeiwijzen boven elkaar lijken te staan.


Bas Kers-
CC-BY-NC-SA-2.0


Gertjan van Noord - CC BY-ND 4.0


© Biopix: JC Schou


Hans Henrik Bruun - CC BY 4.0

Vruchten: Een doosvrucht. De vrucht (zonder de stijlrest) is meestal weinig langer dan het bloemdek. De vrucht is glanzend roodbruin tot zwart, met twintig tot vijfentwintig zaden. Eenzaadlobbig.


Erik van Dijk - CC BY-NC-ND 4.0


Erik van Dijk - CC BY-NC-ND 4.0


Vincent Stork - CC BY-NC-ND 4.0


Gertjan van Noord - CC BY 4.0

Biotoop

Bodem: Zonnige, vrij open plaatsen (pioniervegetatie) op natte, voedselarme tot matig voedselrijke, basische, kalkhoudende zandgrond. Ook op brakke grond, maar wel met aanvoer van zoet water.

Groeiplaatsen: Zeeduinen (jonge duinvalleien, randen van strandvlakten, de grens van strandvlakten met duinruggen en drooggevallen zandplaten in voormalige zeearmen), moerassen (kalkmoerassen), soms op opgespoten grondvlakten en in karrensporen.

Verspreiding

Wereld: Langs de West-Europese kust, van de Scheldemond tot in Zuid-Zweden. Niet in Groot-BrittanniŽ. Elders nog een paar vindplaatsen, o.a. in Frankrijk (langs de Atlantische Oceaan) en langs de kusten van het westelijke deel van de Middelandse Zee.

Nederland: Vrij algemeen op de Waddeneilanden en in het Lauwersmeergebied en vrij zeldzaam in de duinen tussen Den Helder en Schouwen. Elders zeer zeldzaam.

Vlaanderen: Zeldzaam in het kustgebied.
WalloniŽ:
Niet in WalloniŽ.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Rechte rus


Flora Batava, deel 17, Jan Kops en F.W. van Eeden (1885)


Naturalis Biodiversity Center, Leiden


Deutschlands flora, deel 16, J. Sturm, J.W. Sturm (1835-1837)


Atlas der Alpenflora, Anton Hartinger (1882)


Juncus atricapillus var. sparsiflorius
Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL