Wilde planten in Nederland en België

 Nederlandse namen   Wetenschappelijke namen 

Duist - Alopecurus myosuroides

Frysk: Dúst

English: Blackgrass

Français: Vulpin des champs

Deutsch: Acker-Fuchsschwanzgras

Synoniemen:

Familie: Poaceae (Grassenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Duist kan te maken hebben met de kleur van de bloeistengel (duister-zwartgrijs). Dost(e) betekent bloemtros of stuifmeel. Alopecurus komt van het Griekse alopex (vos) en oura ofouros (staart), vanwege de vorm van de aar. Myosuroides verwijst naar Myosurus (Muizenstaart). De bloeiwijze lijkt op de staart van een muis.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Eenjarig.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Therofyt.

Bloeimaanden: Mei, juni en juli.

Afmeting: 20-80 cm.


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


© Adrie van Heerden - verspreidingsatlas.nl


Najou - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Najou - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR

Wortels


herbariaunited.org


herbariaunited.org


herbariaunited.org


herbariaunited.org

Stengels


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Liliane Roubaudi - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl

Bladeren: Het tongetje is afgeknot en getand.


kuleuven-kulak.be/bioweb


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


bertrant.bui - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Mathieu Menand - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR

Bloemen: Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De 2-12 cm lange en 3-6 mm brede bloeiwijze is bleek en aan de zonnige kant vaak paars aangelopen. De aar is naar boven zeer geleidelijk versmald. De aartjes zijn 4½-7 mm lang en staan met één tot twee bij elkaar aan één zijtakje. De kelkkafjes zijn tot ongeveer halverwege vergroeid. De kiel heeft zeer smalle vleugels en is zeer kort behaard.


Krzysztof Ziarnek -
GFDL


kuleuven-kulak.be/bioweb


kuleuven-kulak.be/bioweb


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0

Vruchten: Een graanvrucht. De zaden zijn langlevend (langer dan vijf jaar). Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige, open plaatsen op vochtige, voedselrijke tot zeer voedselrijke, kalkhoudende, compacte grond (zeeklei, rivierklei, leem, löss en mergel).

Groeiplaatsen: Akkers (wintergraanakkers, koolzaad- en karwijvelden), ruderale plaatsen, storttereinen, plantsoenen, omgewerkte grond, wegranden, braakliggende grond, tussen straatstenen en langs spoorwegen (spoorwegterreinen).

Verspreiding

Wereld: Oorspronkelijk uit Europa. In Zuidwest-Azië en Europa, in hoofdzaak in de zuidwestelijke helft. Ingeburgerd in Noord-Amerika.

Nederland: Vrij algemeen in Zuid-Limburg, in het westen van het land, in het noordelijk zeekleigebied en in het rivierengebied. Elders zeldzaam.

Vlaanderen: Algemeen, maar zeldzaam in de Kempen.

Wallonië: Algemeen, maar zeldzaam in de Ardennen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 7, Jan Kops en Herman Christiaan van Hall (1836)


Alopecurus agrestis
Deutschlands Flora in Abbildungen, Jacob Sturm und Johann Georg Sturm


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)


Svensk botanik, deel 6, J.W. Palmstruch e.a. (1807)


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)


British entomology, deel 5, J. Curtis (1823-1840)


Flora Londinensis, deel 2, William Curtis (1777-1778)


Flora regni borussici, deel 9, A.G. Dietrich (1841)


La flore et la pomone francaises, deel 3, J.H. Jaume Saint-Hilaire (1830-1833)


Species graminum, deel 1, K.B. Trinius en W.G. Pape (1823-1828)


Icones plantarum medico-oeconomico-technologicarum, deel 3, F.B. Vietz (1806)

 

© 2001-2020 K.M. Dijkstra