Wilde planten in Nederland en België

Gekroesd fonteinkruid - Potamogeton crispus

Frysk: Krollich bearzerûch

English: Curled Pondweed

Français: Potamot crépu

Deutsch: Krauses Laichkraut

Synoniemen:

Familie: Potamogetonaceae (Fonteinkruidfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Potamogeton is afgeleid van het Griekse potamos (rivier) en geiton (buurman), m.a.w. een rivierbewoner. Crispus betekent gekroesd.

Kruising: Potamogeton x lintonii is de kruising van Gekroesd fonteinkruid en Puntig fonteinkruid.
Potamogeton x lintonii staat op vergelijkbare plaatsen waar die beide stamouders ook graag groeien. Nederland valt geheel binnen het Europese deel van de beide stamouders en ze komt zeldzaam verspreid voor door het hele land. Ze heeft de habitus van een weinig krachtig Gekroesd fonteinkruid. De rhizomen zijn zwak ontwikkeld en de stengels zijn afgeplat en hebben op een of twee van de bredere zijkanten ervan een ondiepe, overlangse groef. De bladen zijn vlak of iets gekroesd en nagenoeg zonder tandjes langs de bladrand behalve nabij de stompe tot spitse bladtop (meerdere bladen controleren !). De steunblaadjes zijn aan de voet vergroeid en de middennerf wordt aan beide kanten begeleid door holtes die breed beginnen aan de basis van het blad maar snel versmallen tot een nauwe band die zich uitstrekt tot of nabij de bladtop.
René van Moorsel, 2014 - CC BY-SA 3.0

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Hydrofyt.

Bloeimaanden: Mei, juni, juli, augustus.

Afmeting: 20-100 cm.


Augustin Roche - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Augustin Roche - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR

Wortels: Een korte, dunne (vaak slechts 1 mm dik), vertakte, vrij kort kruipende wortelstok.


Liliane Roubaudi - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Dean Wm. Taylor -
CC BY 2.0


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Susan J. Hewitt -
CC BY-NC 4.0

Stengels: Een onbehaarde plant. De tot 2 mm dikke stengels zijn naar boven toe vertakt en bovenaan (vaak roodachtig wit van kleur) zigzagsgewijs geknikt en afgeplat, met twee groeven. Met meestal 1-2 cm lange leden.


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Leslie J. Mehrhoff -
CC BY 3.0


John A Haskins -
CC BY 4.0

Bladeren: Alle bladen zijn ondergedoken. Ze zijn glanzend heldergroen of rossig, zittend, smal langwerpig, gegolfd, gekroesd, gezaagd en doorschijnend. Ze hebben een halfstengelomvattende voet, een afgeronde top en worden 0,5-1,5 cm breed en 4-6 cm lang (soms tot 10 cm). Aan de top van de bladrand zitten scherpe tandjes en vaak ook langs de rest van de bladrand. De dwarsnerven van de bladen staan ver uiteen, het net van mazen naast de middennerf is duidelijk. De scheden in de bladoksels zijn meestal niet meer dan 1 cm lang, breed, zeer dun, slap, doorzichtig en vallen spoedig af. De onderste zijn met het blad verbonden.


mattward -
CC BY-NC 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Leslie J. Mehrhoff -
CC BY 3.0


Hugues Tinguy - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR

Bloemen: Tweeslachtig. De groenige bloemen groeien in vrij losse, korte aren met weinig bloemen (7 tot 10 bloemen). De aren hebben vrij lange stelen (2-5 cm), die na de bloei omlaag krommen.


matthew_wills -
CC BY-NC 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Panek -
GFDL

Vruchten: Een steenvrucht. De vruchten zijn vierdelig. De bijna cirkelronde nootjes uit één bloem zijn aan de voet met elkaar vergroeid. Ze zijn 5-6 mm lang en hebben een haakvormig gekromde snavel, die ongeveer even lang is als de rest van het nootje. Tweezaadlobbig.


Mathieu Menand - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Вячеслав Юсупов -
CC BY-NC 4.0


Вячеслав Юсупов -
CC BY-NC 4.0


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige plaatsen in niet te ondiep, helder, matig voedselrijk tot voedselrijk, soms iets vervuild, zoet, zelden zwak brak, stilstaand of zwak stromend, zwak zuur tot kalkrijk water met een bodem van zand, leem, zavel en klei met weinig organische stof.

Groeiplaatsen: Water (sloten, kanalen, vijvers, plassen, drinkpoelen, grachten, afwateringskanaaltjes, kleiputten, oude rivierlopen, afgravingen, geulen in het winterbed van rivieren en beken en soms ook in bosbeken).

Verspreiding

Wereld: Gematigde en warmere gebieden. Het meest in Europa, Azië, Australië, Nieuw-zeeland en Noord-Amerika.

Nederland: Algemeen, maar zeldzamer in Zeeland, Flevoland, op de Waddeneilanden en op de Veluwe.

Vlaanderen: Vrij algemeen.
Wallonië:
Vrij zeldzaam.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 8, Jan Kops en Herman Christiaan van Hall (1844)


Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé (1885-1905)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1888)


Flora Londinensis, deel 5, William Curtis (1784-1788)


Atlas des plantes de France, deel 3, Amédée Masclef (1893)


Pusillum fonti-lapathum

Plantarum seu stirpium icones, deel 1, M. de Lobel (1581)


Das Pflanzenreich, Potamogetonaceae, deel 11, H.G.A. Engler (1907)


Rariorum plantarum historia, deel 2, C. Clusius (1601)


English Botany, or Coloured Figures of British Plants, deel 9, J.E. Sowerby (1869)


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)


Pflanzenleben des Schwarzwaldes, Friedrich Oltmanns (1927)


Pflanzenleben: Erster Band: Der Bau und die Eigenschaften der Pflanzen, deel 1, A.J. Kerner von Marilaun, A. Hansen,(1887-1891)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL