Wilde planten in Nederland en België

Nederlandse namen

A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

Gewone agrimonie - Agrimonia eupatoria

Andere namen

Frysk: Gewoane fakkel

English: Agrimony

Français: Aigremoine eupatoire

Deutsch: Gewöhnlicher Odermennig

Verouderde of andere namen:

Classificatie

Klasse: Spermatopsida

Orde: Rosales

Familie: Rosaceae (Rozenfamilie)

Geslacht: Agrimonia (Agrimonie)

Soort: Agrimonia eupatoria

Naamgeving (Etymologie): Agrimonia kan zijn samengesteld uit de Griekse woorden Agros (veld) en Monas (eenzaam). De naam kan ook afkomstig zijn van de Griekse naam argremone (vlek op het oog of grauwe staar). Deze naam werd aan planten gegeven die een genezende werking op de ogen zouden hebben. Eupatoria komt van Eupator, de bijnaam van koning Mithridates van Pontus. Koning Mithridates Eupator zou de plant voor het eerst als geneeskruid hebben gebruikt.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Bloeimaanden: Juni, juli, augustus, september.

Afmeting: 30-120 cm.


Joan Simon - CC BY-SA 2.0


O. Pichard - CC BY-SA 3.0


Olivier Pichard - CC BY-SA 3.0


UuMUfQ - CC BY-SA 3.0

Wortels: Een wortelstok.


http://herbariaunited.org/


http://herbariaunited.org/


http://herbariaunited.org/


http://herbariaunited.org/

Stengels: De lange, gevulde, rechtopstaande, slanke stengels zijn meestal bovenaan vertakt en dragen lange en korte haren, maar geen klierharen. Aan de stengels groeien vele gele tot goudgele bloemen.


AnRo0002 - CC0


AnRo0002 - CC0


Isidre blanc - CC BY-SA 4.0


AnRo0002 - CC0

Bladeren: In het eerste jaar wordt er alleen een bladrozet gevormd. De verspreidstaande, donkergroene bladeren zijn iets dichter en zachter behaard dan die van Welriekende agrimonie. Aan de onderkant zitten geen of maar weinig kleurloze klierknopjes. De bladeren zijn afgebroken geveerd (tussen de grote deelblaadjes zie je kleinere deelblaadjes). De bladeren bestaan uit drie tot zes paar zittende deelblaadjes van 2-6 cm. Deze zijn eirond tot min of meer langwerpig en bovenaan meestal niet toegespitst. De bladranden zijn gezaagd. Onder de bladeren groeien twee  halfronde stengelomvattende steunblaadjes.


Puusterke - CC BY-SA 4.0


Raul654 - CC BY-SA 3.0


Bff - CC BY-SA 4.0


Bff - CC BY-SA 4.0

Bloemen: Tweeslachtig. De gele, 0,5-1 cm grote bloemen vormen samen slanke aren. De kelkbuis is tot aan de voet gegroefd. De buitenste rij haken staan op de rand van de kelkbuis schuin omhoog of recht opzij, dus niet teruggebogen (ze maken een stompe tot rechte hoek met de kelkbuis). Elke bloem heeft vijf kelkbladen, vijf priemvormige bijkelkslippen en eveneens vijf kroonbladen. De bloembodem is bekervormig (later wordt dat de vruchtwand), ruw behaard en met groeven die tot de voet doorlopen. Elke bloem heeft tien of meer meeldraden met bruingele helmhokjes en twee stijlen met twee stempels. Het vruchtbeginsel is halfonderstandig. Onder elke bloem zit een klein schutblad.

 


AnRo0002 - CC0


AnRo0002 - CC0


Bff - CC BY-SA 4.0


Bff - CC BY-SA 4.0

Vruchten: Een eenzadige dopvrucht of nootje. De gegroefde  vruchten zijn 0,7-1 cm lang en vind je  aan de bloeistengel. Ze zijn van opzij min of meer trapeziumvormig, met  duidelijke groeven tot aan de voet. Ze hebben opstaande borstelhaken bij de top. De onderste rij stekels is niet teruggebogen. De stekels staan dus rechtop of staan af. De bloembodem is bekervormig. De rijpe vrucht is minstens even hoog als breed. De kleine weerhaakjes op de zaden hechten zich aan de vacht van passerende dieren. De zaden worden zo in de wijde omgeving verspreid. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één jaar). Tweezaadlobbig.


Christian Fischer - CC BY-SA 3.0


dzn.eldoc.ub.rug.nl


dzn.eldoc.ub.rug.nl

Biotoop

Bodem: Zonnige, soms licht beschaduwde plaatsen op matig droge tot matig vochtige, grazige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, kalkhoudende grond (mergel, löss, leem, klei, zavel, duinzand en rivierzand).

Groeiplaatsen: Dijken, bermen, kalkhellingen, kalkrijke zeeduinen (o.a. in laag duinstruweel), akkers (akkerranden), heggen, bosranden (kalkrijke zomen), laagblijvende struwelen, grasland (schraal grasland en kalkgrasland), langs spoorwegen, brugtaluds, ruderale plaatsen, ruigten, langs holle wegen en rivierduintjes.

Verspreiding

Wereld: Europa. Noordelijk tot in Zuid-Scandinavië. Ook in West-Azië en Noordwest-Afrika. Plaatselijk ingeburgerd in onder meer Noord-Amerika, Nieuw-Zeeland en mogelijk ook in Zuid-Afrika.


gbif.org

Nederland: Vrij algemeen in Zuid-Limburg, langs de grote rivieren, in Zeeland en in de Hollandse duinen. Elders zeldzaam tot zeer zeldzaam. Niet in het waddengebied.
Rode lijst 2012. Thans niet bedreigd. Trend sinds 1950: sterk afgenomen. Algemeen. Oorspronkelijk inheems.


verspreidingsatlas.nl

Vlaanderen: Vrij algemeen, maar zeldzaam tot zeer zeldzaam in de Kempen.
Rode lijst. Achteruitgaand.

Wallonië: Algemeen, maar zeldzaam in de Ardennen.

Toepassingen

Agrimonie was een krachtig middel tegen het kwaad. Het werd vaak gebruikt als versterkend middel en tegen leverkwalen, dysenterie en slangenbeten.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 1, Jan Kops (1800)


Flora Batava, deel 1, Jan Kops (1800)


Afbeeldingen der artseny-gewassen met derzelver Nederduitsche en Latynsche beschryvingen, deel 3, Johan Carl Krauss (1796)


Afbeeldingen der artseny-gewassen met derzelver Nederduitsche en Latynsche beschryvingen, deel 3, Johan Carl Krauss (1796)


Deutschlands Flora in Abbildungen, Jacob Sturm und Johann Georg Sturm (1796)


Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé (1885-1905)


Bilder ur Nordens Flora, Carl Axel Magnus Lindman (1917-1926)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1888)

© 2001-2018 K.M. Dijkstra