Wilde planten in Nederland en België

Gewone eikvaren - Polypodium vulgare

Frysk: Iikfear

English: Common Polypody

Français: Polypode commun

Deutsch: Gewöhnlicher Tüpfelfarn

Synoniemen:

Familie: Polypodiaceae (Eikvarenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Polypodium betekent letterlijk veelvoet. Vulgare betekent gewoon of algemeen voorkomend.

Opmerking: Het verschil met Brede eikvaren is vaak zeer moeilijk vast te stellen (via een microscoop en vaak alleen via DNA onderzoek en het tellen van de chromosomen).

Kruising: Beide soorten eikvaren kunnen een bastaard vormen (Polypodium x mantoniae). De bastaard heeft witgrijze sporen, terwijl Brede en Gewone eikvaren goudgele sporen hebben.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Sporenplant.

Winterknoppen: Geofyt of hemikryptofyt.

Rijpe sporen: Juli, augustus en september.

Afmeting: 10-40 cm.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Patrick Hacker -
CC BY-NC 4.0


Julien Tchilinguirian -
CC BY-NC 4.0

Wortels: De lange, kruipende wortelstok is vrij dik (tot 7 mm), iets afgeplat en vaak sterk vertakt. Aan de bovenkant zie je knobbels en op de jonge delen zitten veel roodbruine schubben met een brede afgeronde voet. Oudere delen hebben littekens van afgevallen bladen.


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0

Stengels: Op de bladstelen van volwassen bladeren zie je geen schubben. De stelen zijn ongeveer half zo lang tot iets korter dan het blad.


4028mdk09 -
CC BY-SA 3.0


JDavid -
CC BY-SA 3.0


László Gellért -
CC BY-SA 4.0


© Hans Hillewaert -
CC BY-SA 4.0

Bladeren: De vrij dikke, kale bladeren zijn wintergroen. Ze staan op korte afstand van elkaar en groeien rechtstreeks vanuit de wortelstok. De jonge bladeren verschijnen in de late lente (de oude bladeren sterven dan af). Ze zijn dof donkergroen, langwerpig, tot 50 cm lang en alleen naar de top toegespitst. Verder zijn ze enkelvoudig veervormig en bijna tot de hoofdnerf ingesneden. De bladschijf heeft aan beide kanten 8-20, meest afwisselend staande slippen, die langwerpig tot lijn-lancetvormig, spits of stomp en min of meer duidelijk klein gezaagd zijn. De deelblaadjes zijn 2-4 cm lang, hebben een min of meer afgeronde top en een brede voet, die met de voet van het deelblaadje ernaast door een heel klein strookje is verbonden. De onderste en middelste bladdelen zijn ongeveer even lang. De randen zijn gaaf of meestal zwak gekarteld. De bladslippen staan recht af.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Paul Braun -
CC0-1.0


Algirdas - Public Domain


4028mdk09 -
CC BY-SA 3.0

Vruchten: Aan de onderkant van de bladeren vind je de ronde, naakte, oranjerode sporenhoopjes. Ze staan in twee rijen aan beide kanten van de middennerf (tot 15), zelden vloeien zij samen. De sporangien zijn geel-, maar worden later donkerbruin.


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


Petritap -
CC BY-SA 3.0


H. Zell -
CC BY-SA 3.0


Matthieu Gauvain -
CC BY-SA 3.0

Biotoop

Bodem: Licht beschaduwde plaatsen op droge, voedselarme, meestal zwak zure, maar soms kalkhoudende zandgrond, op stenige plaatsen en als epifyt in bomen.

Groeiplaatsen: Bossen (lichtrijke loofbossen en naaldbossen, o.a. larixbossen), houtwallen, jeneverbesstruweel, noordhellingen, bermen (aan de voet van loofbomen), langs holle wegen, zeeduinen (noordhellingen, duinstruweel en duinbos), oude muren, beschaduwde rotsen, in schorsspleten van gevelde stammen, bemoste stammen en in knotwilgen (epifyt).

Verspreiding

Wereld: Gematigde en koudere streken op het noordelijk halfrond. Het meest in Europa.  Ook op enige plaatsen op het zuidelijk halfrond, o.a. in Zuid-Afrika.

Nederland: Algemeen, maar zeldzamer in kleigebieden.

Vlaanderen: Vrij algemeen. Het meest in de duinen en in de Leemstreek.
Wallonië:
Plaatselijk vrij algemeen.

Toepassingen

De zoet smakende wortelstok wordt gebruikt als geneesmiddel, o.a. tegen keelaandoeningen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 6, Jan Kops en Herman Christiaan van Hall (1832)


Afbeeldingen der artseny-gewassen met derzelver Nederduitsche en Latynsche beschryvingen, deel 1, Dirk Leonard Oskamp (1796)


Cruijdeboek, deel 3, Rembert Dodoens. Wortelen, medecynale cruyden, ende quaden hinderlijcke ghewassen (1554)


Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé (1885-1905)


Kräuterbuch, Unsere Heilpflanzen in Wort und Bild, Friedrich Losch (1914)


Repräsentanten einheimischer Pflanzenfamilien in bunten Wandtafeln mit erläuterndem Text, C. Bollmann (1879-1882)


New Kreüterbuch, L. Fuchs (1543)


Genera filicum, W.J. Hooker, Franz Bauer (1838-1842)


Bilder ur Nordens Flora, deel 3, Carl Axel Magnus Lindman (1922-1926)


English Botany, or Coloured Figures of British Plants, deel 12, J.E. Sowerby (1886)


Medical Botany, deel 4, W. Woodville, W.J. Hooker, G. Spratt (1832)


Flora Londinensis, deel 1, William Curtis (1775-1777)


Atlas des plantes de France, deel 3, Amédée Masclef (1893)


Herbier de la France, deel 4, P. Bulliard (1776-1783)


Botanischer Bilderatlas nach De Candolle's Natürlichem Pflanzensystem, Carl Hoffmann (1884)


Botanischer Bilderatlas nach dem natürlichem Pflanzensystem, K. Hoffmann, E. Dennert (1911)


Plantarum indigenarum et exoticarum Icones ad vivum coloratae, deel 3 (1790)


Icones plantarum medico-oeconomico-technologicarum, deel 2, F.B. Vietz (1804)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1888)


Svensk botanik, deel 1, J.W. Palmstruch e.a. (1803)


Ferns (a history of Ferns): British and exotic, deel 1, E.J. Lowe (1839)


The ferns of Great Britain and Ireland, T. Moore (1855)


Flore médicale, deel 5, F.P. Chaumeton (1831)


Flora Parisiensis, deel 2, P. Bulliard (1776-1781)


Plantarum seu stirpium icones, deel 1, M. de Lobel (1581)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL