Wilde planten in Nederland en BelgiŽ

Groene naaldaar - Setaria viridis

Frysk: Griene swartkopraai

English: Green foxtail

FranÁais: Sťtaire verte

Deutsch: GrŁne Borstenhirse

Synoniemen: Setaria italica subsp. viridis

Familie: Poaceae (Grassenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Setaria is afgeleid van het Latijnse seta (borstel), vanwege de borstels, die de aartjes omgeven. Viridis betekent groen.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Eenjarig.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Therofyt.

Hoofdbloei: Juli, augustus en september.

Afmeting: 5-100 cm.


Rasbak -
CC BY-SA 3.0


Joan Simon -
CC BY-SA 2.0


harum.koh -
CC BY-SA 2.0


Jose Sebastian -
CC BY-SA 3.0

Wortels


s.idigbio.org -
CC BY-NC 3.0


s.idigbio.org -
CC BY-NC 3.0


storage.idigbio.org -
CC BY-NC 3.0


s.idigbio.org -
CC0-1.0

Stengels: De stengels zijn opstijgend.


Jean.claude -
CC BY-SA 4.0


Daderot - Public Domain


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0

Bladeren: De kale bladen hebben een wittige of paarsachtige streep over het midden. De bladschede is bovenaan behaard en gewimperd.


Rasbak -
CC BY-SA 3.0


AnRo0002 -
CC0


AnRo0002 -
CC0


Rasbak -
CC BY-SA 3.0

Bloemen: Tweeslachtig. De compacte aar-pluim is 0,7-1 cm dik, is niet onderbroken en heeftt zeer korte, voor het grootste deel vertakte zijtakjes met ongeveer 2 mm lange aartjes in kluwens. De pluimas is behaard met lange en korte haren. De 5 mm grote borstels onder de aartjes zijn groen of iets paarsig. Ze zijn ruw door naar voren gerichte tandjes.


Rasbak -
CC BY-SA 3.0


Rasbak -
CC BY-SA 3.0


Petr Filippov -
CC BY 3.0


bastus917 -
CC BY-SA 2.0

Vruchten: Een graanvrucht. De zaden zijn langlevend (langer dan vijf jaar). Eenzaadlobbig.


Rasbak -
CC BY-SA 3.0


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0


Dominique Remaud
- tela-botanica.org - CC BY-SA 2.0 FR


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige, open plaatsen op droge, matig voedselrijke, kalkarme, zwak zure grond (zand en stenige plaatsen, niet of nauwelijks op zwaardere grondsoorten).

Groeiplaatsen: Moestuinen, akkers (akkerranden, maisakkers en hakvruchtakkers), omgewoelde bermen, stortterreinen, langs spoorwegen (spoorwegterreinen), wegranden en in de voegen van bestrating.

Verspreiding

Wereld: Oorspronkelijk uit Europa en AziŽ. Nu in gematigde streken in alle werelddelen. In de tropen ontbreekt zij grotendeels, behalve in gebergten.

Nederland: Vrij algemeen, maar zeldzaam in het noorden van het land en in Flevoland en ontbreekt vrijwel op de Waddeneilanden.

Vlaanderen: Algemeen, maar minder algemeen in de Polders en de Leemstreek.
WalloniŽ:
Vrij zeldzaam in Brabant en zeldzaam in de Ardennen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 11, Jan Kops en P. M. E. Gevers Deijnoot (1853)


Deutschlands Flora in Abbildungen, Jacob Sturm und Johann Georg Sturm


Species graminum, deel 2, K.B. Trinius en W.G. Pape (1829)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1888)


Flora Parisiensis, deel 6, P. Bulliard (1776-1781)


Farm weeds of Canada, G.H. Clark, J. Fletcher (1906)


Flora Londinensis, deel 4, William Curtis (1781-1784)


British entomology, deel 7, J. Curtis (1823-1840)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL