Wilde planten in Nederland en België

Groensteel - Asplenium viride

Frysk: Grien stienfearke

English: Green Spleenwort

Français: Asplénium à pétiole vert

Deutsch: Grüner Streifenfarn

Synoniemen: Asplenium ramosum

Familie: Aspleniaceae (Streepvarenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Asplenium komt van het Griekse a (niet) en splen (milt), omdat men dacht dat het gebruik een opgezwollen milt zou doen inkrimpen. Viride betekent groen.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Sporenplant.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Rijpe sporen: Juli en augustus.

Afmeting: 10-35 cm.


Bernd Haynold -
CC BY-SA 3.0


Marko Vainu -
CC BY-SA 3.0


MurielBendel -
CC BY-SA 4.0


MurielBendel -
CC BY-SA 4.0

Wortels: De schubben op de wortelstok zijn eenkleurig. Ze hebben geen donkere middenstreep, zoals bij de Steenbreekvaren.


web.corral.tacc.utexas.edu -
CC0-1.0


usuherbarium.usu.edu -
CC0-1.0


web.corral.tacc.utexas.edu -
CC0-1.0


bisque.iplantcollaborative.org -
CC BY-NC 3.0

Stengels: De relatief korte bladsteel is alleen onderaan vaak bruinzwart. Hogerop is deze groen, evenals de middennerf. De stengels zijn niet gevleugeld.


Meneerke bloem -
CC BY-SA 3.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Genevieve Botti - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR

Bladeren: De bladveer is 5-20 cm lang en heeft tot 60 verspreid staande deelblaadjes. De bladen zijn langgerekt, enkelvoudig geveerd, diep gekarteld tot gelobd en geelgroen (het blad en ook de bladspil). De bladvoet staat iets scheef en is breed wigvormig. De deelblaadjes zijn wat groter dan die van Steenbreekvaren. Ze sterven af in de winter, maar blijven wel aan de bladspil vast zitten (bij Steenbreekvaren laten ze na de winter los van de bladspil).


MurielBendel -
CC BY-SA 4.0


Michael Gasperl -
CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0

Vruchten: Sporen aan de onderkant van de deelblaadjes. De sporenhoopjes zijn eerst lijnvormig en bereiken de bladrand niet. In rijpe toestand raken de sprenhoopjes elkaar wel.


MurielBendel -
CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0

Biotoop

Bodem: Beschaduwde plaatsen op vrij droog tot meestal vochtig, vaak kalkrijk, niet te voedselarm tot matig voedselrijk, venig zand en op stenige plekken.

Groeiplaatsen: Waterkanten (sluismuren), bossen (langs beschaduwde greppels), muren (kalkrijk en vochtig), rotsachtige plaatsen.

Verspreiding

Wereld: Koude en gematigde streken op het noordelijk halfrond. Het is voornamelijk een gebergteplant.

Nederland: Zeer zeldzaam.

Vlaanderen: Niet in Vlaanderen.
Wallonië:
Zeer zeldzaam in de Ardennen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Sudetenflora, M. Winkler (1900)


Die Alpenpflanzen nach der Natur gemalt, deel 3, J. Seboth, F. Graf (1839)


Svensk botanik, deel 7, J.W. Palmstruch e.a. (1807-1838)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1888)


Ferns (a history of Ferns): British and exotic, deel 5, E.J. Lowe (1839)


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)


The ferns of Great Britain and Ireland, T. Moore (1855)


English Botany, or Coloured Figures of British Plants, deel 12, J.E. Sowerby (1886)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL