Wilde planten in Nederland en België

Grote egelskop - Sparganium erectum

Frysk: Grutte dûkel

English: Branched bur-reed

Français: Rubanier à feuilles étroites

Deutsch: Aufrechter Igelkolben

Synoniemen:

Familie: Typhaceae (Lisdoddefamilie)

Naamgeving (Etymologie): Egelskop slaat op stekelige, knotsvormige vruchten. Sparganium komt van het Griekse woord spaganion (windsel of lint). De bladen zijn bandvormig en werden vroeger gebruikt voor vlechtwerk. Erectum betekent opgericht.

Ondersoorten: Grote egelskop (Sparganium erectum subsp. erectum), Blonde egelskop (Sparganium erectum subsp. neglectum) en Bruine egelskop (Sparganium erectum subsp. microcarpum). De ondersoorten zijn alleen te onderscheiden aan de vruchten.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Helofyt.

Hoofdbloei: Juni t/m september.

Afmeting: 30-100 (-180) cm.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


© Bert Verbruggen - verspreidingsatlas.nl

Wortels: Een wortelstok.


Panek -
CC BY 2.5


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


herbariaunited.org


herbariaunited.org

Stengels: Een rechtopstaande stengel. De stengels in de bloeiwijze zijn vertakt.


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


Isidre blanc -
CC BY-SA 4.0


Krzysztof Ziarnek -
CC BY-SA 4.0


Sparganium erectum subsp. microcarpum
Ivar Leidus -
CC BY-SA 3.0

Bladeren: De meestal rechtopstaande bladen zijn 0,6-3 cm breed. Ze zijn bandvormig, op doorsnee driehoekig en scherp gekield met een vleugelrandje. Soms drijven de bladen. Als de bladen tegen het licht worden gehouden zijn de nerven helder en de dwarsnerfjes onduidelijk.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


© Bert Verbruggen - verspreidingsatlas.nl


schattenbluemchen -
CC BY-NC 4.0


Fantagu -
CC BY-SA 2.5

Bloemen: Eenslachtig. Eenhuizig. Een onderaan vertakte pluimvormige bloeiwijze. Er zijn één tot vier, zittende vrouwelijke bloemhoofdjes. De vaak talrijke mannelijke hoofdjes groeien boven de vrouwelijke hoofdjes. De bloemen zijn niet gesteeld. De stijlen en stempels zijn lang en draadvormig. De bloemdekblaadjes zijn verdikt en aan de top donkerbruin tot zwart. De stijl en stempel zijn lang (draadvormig).


© Adrie van Heerden - verspreidingsatlas.nl


© Adrie van Heerden - verspreidingsatlas.nl


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Pethan -
CC BY-SA 3.0

Vruchten: Een steenvrucht. Eenzaadlobbig. De zaden met zes tot tien scherpe of afgeronde ribben.
Groteegelskop
: De rijpe vrucht is (zonder de stijlrest) ca. 5-8 mm lang en 3-6 mm breed, bij rijpheid in het hoofdje dicht aaneensluitend. Het onderste deel is geelbruin, omgekeerd piramidevormig, meestal vier- of vijfkantig, met scherpe ribben. Op het breedste punt buigt de vruchtwand plotseling onder een ongeveer rechte hoek naar binnen. Het bovenste deel van de vrucht vormt een lage, roetzwarte koepel, die plotseling in de stijlrest is versmald. De gegroefde steenkern loopt tot in de top van de vrucht door. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één jaar). Eenzaadlobbig.
Blonde egelskop: Vruchten (zonder de stijlrest) ca. 6-10 mm lang en 3-4 mm breed, bij rijpheid minder dicht aaneensluitend dan bij Grote egelskop en helemaal glanzend geelbruin. Het onderste deel is omgekeerd kegelvormig met zwakke ribben Op het breedste punt buigt de vruchtwand geleideIijk onder een stompe hoek naar binnen. Het bovenste deel van de vrucht vormt een hoge koepel, die geleidelijk in de stijlrest versmald is. De steenkern loopt niet tot in de top van de vrucht door.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Jan Hein van Steenis -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Sparganium erectum subsp. neglectum
Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige tot half beschaduwde plaatsen in ondiep, matig tot zeer voedselrijk, zwak zuur tot kalkhoudend, zoet of heel zwak brak water met een slibrijke, zandige tot kleiige of venige bodem. Ook op tijdelijk droogvallende plaatsen.

Groeiplaatsen: Water en waterkanten (o.a. sloten, vaarten, poelen), moerassen (rietland, drijftillen), heide (heidevennen en voedselrijker wordende hoogveenputten), grasland (moerassig hooiland), zoetwatergetijdengebied (luwe kommen achter de oeverwallen) en bossen (grienden en moerasbossen, met name oude beekarmen).

Verspreiding

Wereld: Gematigde en koelere streken van Azië en Europa. Ook in Marokko, Australië en Noord-Amerika.

Nederland: Algemeen, maar vrij algemeen op de hoge zandgronden van Noordoost en Midden-Nederland, in Zuid-Limburg, het zeekleigebied van Groningen en het Deltagebied

Vlaanderen: Algemeen.
Wallonië:
Vrij algemeen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 3, Jan Kops (1814)


Cruijdeboek, deel 4, Rembert Dodoens. Corenen, Legumina, Distelen ende dyerghelijcke (1554)


Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé (1885-1905)


Botanischer Bilderatlas nach dem natürlichem Pflanzensystem, K. Hoffmann, E. Dennert (1911)


Genera plantarum florae germanicae, Monocotyledones 2
Cyperaceae, deel 3, T.F.L. Nees von Esenbeck (1843)


New Kreüterbuch, P.A. Mattioli (1563)


Flora Londinensis, deel 5, William Curtis (1784-1788)


English Botany, or Coloured Figures of British Plants, deel 9, J.E. Sowerby (1869)


Histoire naturelle des végétaux, Atlas, E. Spach, M. elle F. Legendre (1834-1847)


Hortus Eystettensis, deel 1, Bessler, Basilius (1620)


Flora regni borussici, deel 1, A.G. Dietrich (1832-1833)


Botanische Wandtafeln, A. Peter (1901)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)


Svensk botanik, deel 7, J.W. Palmstruch e.a. (1807-1838)


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)


Atlas des plantes de France, deel 3, Amédée Masclef (1893)


Hortus Romanus juxta Systema Tournefortianum, deel 8, Giorgio Bonelli (1783-1816)


Plantarum seu stirpium icones, deel 1, M. de Lobel (1581)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL