Wilde planten in Nederland en België

Heidezegge - Carex ericetorum

Frysk:

English: Rare Spring-sedge

Français: Laîche des bruyères

Deutsch: Heide-Segge

Synoniemen:

Familie: Cyperaceae (Cypergrassenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Zegge stamt uit het Indogermaanse woord seq (snijden). Carex is zeer waarschijnlijk afgeleid van het Latijnse ceiro (ik snij), een verwijzing naar de scherpe kanten van de bladeren. Ericetorum betekent van de heidevelden.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Geofyt.

Hoofdbloei: April en mei.

Afmeting: 5-20 cm.


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


© Jaan Liira -
CC BY-SA 3.0


Jean-Jacques Houdré - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Julia Kruse -
CC BY-SA 3.0

Wortels: Kort kruipende, verhoutende, aan de top boogvormig opstijgende wortelstokken met amelijk lange, meestal lichtbruine uitlopers, die bezet zijn met donkerbruine resten van schubben. Worteldiepte tot 20 cm.


herbariaunited.org


herbariaunited.org


herbariaunited.org


herbariaunited.org

Stengels: Heidezegge vormt losse polletjes of matjes. De vrij stijve, meestal iets schuin rechtopstaande stengels zijn stomp driekantig. De stengel is alleen beneden bebladerd. De scheden zijn glanzend bruin en hebben vaak een paarsige tint. Ze verweren tot vezels.


Willem van Kruijsbergen - freenatureimages.eu


Jean-Jacques Houdré - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Julia Kruse -
CC BY-SA 3.0


Anna Kuzemko -
CC BY-SA 4.0

Bladeren: De grijsgroene bladen zijn kaal. De bladschijf is vrij smal, ongeveer 3 mm breed, bijna van de voet af geleidelijk in een fijne, vrij ruwe punt versmald, vrij stijf en vaak teruggekromd. De onderste bladscheden zijn glanzend (paars)bruin en rafelen sterk.


Willem van Kruijsbergen - freenatureimages.eu


Jean-Jacques Houdré - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


© Jaap Rouwenhorst -
CC BY-NC-ND 3.0


© Benno te Linde -
CC BY-NC-ND 3.0

Bloemen: Eenslachtig. Eenhuizig. De schutbladen zijn zeer kort en kafjesachtig. Het onderste schutblad is bruinvliezig, maar soms met een groen gedeelte en uitlopend in een bladachtige punt. De bloeiwijze is compact met een smal cilindervormige (niet of zwak knotsvormige) mannelijke topaar en één of twee kortere, dicht opeen staande, eivormige, rechtopstaand, zittende vrouwelijke aren, die 7 mm tot 1 cm lang worden. Stijlen met drie stempels. Kafjes aan de top in het topdeel met een duidelijke, smalle witvliezige rand, de rand zelf is fijn gewimperd. De middennerf treedt meestal niet uit en is meestal niet groen. Kafjes van de mannelijk bloemen zijn aan de top stomp, afgerond en breed witvliezig.


Jean-Jacques Houdré - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl

© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Krzysztof Ziarnek -
CC BY-SA 3.0

Vruchten: Een eenzadige dopvrucht of nootje. De urntjes zijn driekantig-peervormig en ongeveer 2 mm lang. Ze zijn grijsgroen, kort behaard en hebben een zeer korte snavel. De vrucht is zeer klein, ongeveer 1 mm lang, driekantig en geelbruin. Eenzaadlobbig.


© Jaan Liira -
CC BY-SA 3.0


Julia Kruse -
CC BY-SA 3.0


© Adrie van Heerden - verspreidingsatlas.nl


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige, open plaatsen op droge, voedselarme, kalkarme (in oostelijker streken ook op kalkhoudende), zwak zure grond (fijn, lemig zand, stuifzand en grof, grindrijk zand).

Groeiplaatsen: Heide (langs heidepaden, vooral op plaatsen waar de grond vroeger is omgewerkt). Elders ook in kalkhoudende dennenbossen en kalkgrasland.

Verspreiding

Wereld: Midden- en West-Azië en Oost-, Noordoost- en Midden-Europa. In West-Europa heeft zij slechts een paar vindplaatsen, tot in Noord-Engeland en de Pyreneeën.

Nederland: Zeer zeldzaam op de Veluwe tussen Arnhem en Kootwijk.

Vlaanderen: Niet in Vlaanderen.
Wallonië:
Zeer zeldzaam in Lotharingen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 17, Jan Kops en F.W. van Eeden (1885)


Deutschlands Flora in Abbildungen, Jacob Sturm und Johann Georg Sturm


Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé (1885-1905)


Fig. 42 en 137
Beschreibung und Abbildung der theils bekannten, theils noch nicht beschriebenen Arten von Riedgräsern, C. Schkuhr (1801)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL