Wilde planten in Nederland en België

Katwilg - Salix viminalis

Frysk: Byntwylch

English: Basket willow

Français: Saule des vanniers

Deutsch: Korbweide

Synoniemen:

Familie: Salicaceae (Wilgenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Salix komt mogelijk van het Keltische sal (dicht bij water), hetgeen te maken heeft met de groei van veel wilgensoorten langs het water. Het kan echter ook afkomstig zijn van het Latijnse salire (snel groeien). Veel wilgensoorten groeien namelijk snel. Viminalis betekent gebruikt voor vlechtwerk.

Kruisingen: De kruising met Amandelwilg (Salix x mollissima) komt geregeld voor. Ook met Bittere wilg kan het een bastaard vormen (Salix x rubra). De bastaard met Boswilg (Salix x sericans) is zeldzaam, evenals die met Kruipwilg (Salix x friesiana).

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Struik of boom.

Winterknoppen: Fanerofyt.

Hoofdbloei: Maart en april.

Afmeting: 1,5-4(-5) meter.


samkelly - cc by-nc 4.0


Willow - cc by-sa 2.5


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiant - cc by-sa 4.0


Unukorno - cc by 3.0

Wortels: Een hartwortelstelsel.

Stam: Oudere bomen of struiken hebben een dikke stam en een bruine, gegroefde bast.


Symac - cc by-sa 3.0


Thierry Pernot - cc by-sa 2.0 fr


Wernersen04 - cc by-sa 3.0


Thierry Pernot - cc by-sa 2.0 fr

Takken: De lange takken zijn buigzaam, taai, maar aan de voet soms breekbaar. Jonge takken zijn eerst grijsachtig viltig behaard, maar  later worden ze vrijwel kaal en zijn dan geelachtig groen. Het hout van oudere takken is glad onder de bast.


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Tak met vrouwelijke bloemen
Willow - cc by-sa 2.5


Tak met vrouwelijke bloemen
Willow - cc by-sa 2.5


Tak met mannelijke bloemen
Willow - cc by-sa 2.5

Bladeren: De verspreidstaande bladeren verschijnen later dan de bloemen. De langwerpige bladeren hebben een gave rand (niet getand). De grootste breedte zit onder het midden.Ze zijn zeven tot twintig keer zo lang als breed. Ze worden 10-25 cm lang en 0,5-1,5 cm breed. De bladranden rollen naar beneden om. De jonge bladeren zijn aan beide kanten dicht, aanliggend, grijs zijdeachtig behaard. De bovenkant wordt later voor een groot deel kaal en is dan dofgroen. De onderkant is dofgrijs. Aan de bladbovenkant zitten op ongeveer 0.3 mm vanaf de rand klieren. De bladsteel is 0,5-1½ cm lang. De steunblaadjes zijn langwerpig (tot 10 bij 2 mm) en vallen spoedig af, behalve aan waterloten.


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Willow - cc by-sa 2.5


MurielBendel - cc by-sa 4.0


Olivier Pichard - cc by-sa 3.0

Bloemen: Eenslachtig. Tweehuizig. De mannelijke en vrouwelijke bloemen groeien aan verschillende struiken en verschijnen kort voor de bladeren. Ze worden 1½-3 cm groot. De in omtrek ronde katjeszijn grijs, maar de helmknoppen) en de stampers zijn geel. Ze zitten opeengepakt aan het eind van een tak. De top van de schutbladen is zwartbruin, maar aan de voet lichter van kleur. Elke bloem heeft één honingklier. Vrouwelijke bloemen hebben twee stempels op een lange Y-vormig vertakte groengele stijl met twee stempels. Het behaarde, bovenstandig vruchtbeginsel heeft vrijwel geen steel.


Vrouwelijke bloemen
© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


Mannelijke bloemen
Willow - cc by-sa 2.5


Mannelijke bloem
Epiceavert - Public Domain


Vrouwelijke bloemen
Willow - cc by-sa 2.5

Vruchten en zaden: Een doosvrucht. Kleine, donker gekleurde zaden met vruchtpluis. Tweezaadlobbig.


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


Mussklprozz - cc by-sa 3.0


Thierry Pernot - cc by-sa 2.0 fr


©2006 Digital Plant Atlas - cc by-nc-sa 3.0 nl

Biotoop

Bodem: Zonnige plaatsen op vochtige tot natte, matig voedselrijke tot zeer voedselrijke grond (laagveen en klei).

Groeiplaatsen: Bosranden (grienden, struwelen op oeverwallen langs de rivieren en wilgenbosranden), ruigten (natte ruigten), waterkanten (rivieroevers, beekoevers) en moerassen.

Verspreiding

Wereld: Oorspronkelijk uit gebieden met een gematigd klimaat in Europa en Azië.

Nederland: Inheems. Algemeen.

Vlaanderen: Inheems. Algemeen.

Wallonië: Inheems. Vrij algemeen.

Toepassingen

Katwilg is zeer geschikt voor de griendcultuur. Hij vormt vele lange, buigzame scheuten met een glad houtoppervlak (na het schillen). De wilgentenen werden gebruikt voor hoepels, schuttingen, bonenstaken, het vlechten van korven, fuiken, stoelen en zinkstukken voor dijken. Voor de griendcultuur is Katwilg zeer geschikt. De 1 jaar oude tenen zijn groen als ze worden gesneden. Als je ze stoomt en vervolgens droogt, worden ze bruin. Om gele tenen te krijgen worden ze gekookt en daarna van de schors ontdaan. De gele kleur wordt veroorzaakt door looistoffen. Witte wilgentenen kan men alleen in het voorjaar maken, wanneer de sapstroom op gang komt in tenen die de hele winter in het water hebben gestaan. Aan oevers van plassen met een sterke golfslag wordt Katwilg vaak toegepast om de oever tegen afslag te beschermen. Vaak slaan de struiken op uit knoppen van nog levende latten uit de beschoeiing! De bast is mild van smaak en wordt graag gegegeten door herkauwers.

©2001-2022 K.M. Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl