Wilde planten in Nederland en België

Klein kroos - Lemna minor

Frysk: Einekroas

English: Lesser duckweed

Français: Lentille d'eau

Deutsch: Kleine Wasserlinse

Synoniemen:

Familie: Araceae (Aronskelkfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Linnaeus gaf de naam aan dit plantje. Er zijn verschillende verklaringen voor de naam Lemna.
1. Lemna komt uit het Grieks en betekent schub.
2. Het is afgeleid van het Griekse lembos (klein schuitje).
3. Het had te maken met het eiland Lemnos, waar de zegelaarde vandaan kwam waar men in de oudheid bolletjes van draaide voor de zegeldruk.
4. Het kan ook zijn afgeleid van het Griekse limne (poel of baai).
Minor betekent kleiner.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid

Winterknoppen: Hydrofyt.

Bloeimaanden: April, mei en juni, maar soms ook in september en oktober.

Afmeting: 1,5-5,5 mm.


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


AnRo0002 -
CC0


AnRo0002 -
CC0


AnRo0002 -
CC0

Wortels: Eén worteltje aan de de onderkant van een bladschijfje. Het worteltje kan soms tot 6 cm lang worden.


Radio Tonreg -
CC BY 2.0


AnRo0002 -
CC0


AnRo0002 -
CC0


Dr.S.Soundarapandian - Public Domain

Stengels: Geen stengel.

Bladeren: De drijvende, tot hooguit 0,5 cm grote  schijfjes zijn lichtgroen, cirkelvormig tot eirond en niet-doorschijnend. De schijfjes overlappen elkaar vaak enigszins. Verder zijn ze plat en met drie of soms vier of vijf nerven. Ze zijn vaak door zeer kleine steeltjes met elkaar verbonden. De bovenkant en de onderkant is vlak of heeft een hele kleine welving. De blaadjes zijn heel soms iets rood getint.


Bas Kers -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Mokkie -
CC BY-SA 3.0


Barbarossa~commonswiki -
CC BY-SA 3.0


3268zauber -
CC BY-SA 3.0

Bloemen: Eenslachtig. Eenhuizig. Er zijn vaak maar heel weinig of geen bloemen. De zeer kleine bloemen zijn groen en groeien aan de rand van een bladschijfje. Er zijn twee meeldraden en een stijl met stempel.


© Erik-Jan Beenackers -
CC BY-NC-ND 3.0


© KNNV Utrecht Plantenwerkgroep -
CC BY 3.0


© KNNV Utrecht Plantenwerkgroep -
CC BY 3.0

 

Vruchten: Een eenzadige dopvrucht of nootje. De vruchten zijn niet gevleugeld. Er vindt echter maar zelden vruchtzetting plaats. De plantjes verspreiden zich voornamelijk langs vegetatieve weg. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één jaar). Tweezaadlobbig.

Biotoop

Bodem: Zonnige of soms licht beschaduwde plaatsen in ondiep, matig voedselarm tot voedselrijk, stilstaand tot zwak stromend, zoet water.

Groeiplaatsen: Water (plassen, tijdelijke plassen, poelen, vijvers, sloten, heidevennen, veenputten met binnendringend voedselrijk water en bospoelen) en grasland (volgelopen karrensporen en trapgaten in drassig weiland).

Verspreiding

Wereld: Zuidwest-Azië, Afrika, Noord-Amerika, op eilanden in de Atlantische Oceaan en in Europa. Noordelijk tot bij de poolcirkel. Ingeburgerd in Australië en Nieuw-Zeeland.

Nederland: Zeer algemeen.

Vlaanderen: Zeer algemeen. Het meest in de Polders en de Zand- en Zandleemstreek.

Wallonë:: Algemeen, maar vrij zeldzaam in de Ardennen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 20, Jan Kops en F.W. van Eeden (1898)


Naturalis Biodiversity Center


Deutschlands flora, deel 11, J. Sturm, J.W. Sturm (1821-1825)


Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé (1885-1905)


Fig 1-12
Genera plantarum florae germanicae, Monocotyledones 2 Cyperaceae, deel 3, T.F.L. Nees von Esenbeck (1845)


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)


Plantarum seu stirpium icones, deel 2, M. de Lobel (1581)


Botanische Wandtafeln, A. Peter (1901)


Repräsentanten einheimischer Pflanzenfamilien in bunten Wandtafeln mit erläuterndem Text, C. Bollmann (1879-1882)


Svensk botanik, deel 5, J.W. Palmstruch e.a. (1807)


Bilder ur Nordens Flora, deel 2, Carl Axel Magnus Lindman (1922-1926)


© 2001-2020 K.M. Dijkstra