Wilde planten in Nederland en België

 Nederlandse namen   Wetenschappelijke namen 

Klein streepzaad - Crepis capillaris

Frysk: Griene kêdeblom

English: Smooth Hawksbeard

Français: Crepis à tige capillaire

Deutsch: Grüner Pippau

Synoniemen: Groen streepzaad

Familie: Asteraceae (Composietenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Streepzaad is afgeleid van de vele ribben op het zaad. Crepis komt van het Griekse krepis (schoenzool) en slaat op de plat op de bodem liggende wortelbladen. Capillaris betekent haarachtig of haarvormig.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Eenjarig of tweejarig, maar soms meerjarig.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Therofyt.

Bloeimaanden: Juni, juli, augustus, september, oktober en november.

Afmeting: 30-90 cm.


Michael Becker -
CC BY-SA 3.0


Christian Fischer -
CC BY-SA 3.0


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl

Wortels: Een penwortel.


Danny Steven S. -
CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0

Stengels: De rechtopstaande, dunne, bij de voet of bovenaan vertakte stengels (meestal vrij sterk vertakt) zijn kaal of weinig behaard. De planten bevatten wit melksap.


Javier martin. - Public Domain


Danny Steven S. -
CC BY-SA 3.0


Harry Rose -
CC BY 2.0


Harry Rose -
CC BY 2.0

Bladeren: De vele rozetbladen zijn glanzend, langwerpig en getand tot veerspletig. De spitse zijslippen zijn naar voren gekromd. De eindlob is vrij lang en spits. De verspreidstaande stengelbladeren zijn kleiner en omvatten met spitse oortjes de stengel (stengelomvattend). De bladeren zijn kaal of weinig behaard. De bladrand is vlak.


Rasbak -
CC BY-SA 3.0


Danny Steven S. -
CC BY-SA 3.0


Danny Steven S. -
CC BY-SA 3.0


kuleuven-kulak.be/bioweb

Bloemen: Tweeslachtig. De bloemhoofdjes vormen samen losse pluimen. De hoofdjes zijn 1-2 cm (duidelijk kleiner dan die van groot streepzaad). De lintbloemen zijn geel en van onderen vaak roodachtig. Het vruchtbeginsel is onderstandig met een stijl en twee stempels. Het omwindsel is 5-9 mm lang, grijs behaard en min of meer beklierd, evenals de hoofdjesstelen. De omwindselbladen zijn langwerpig. De buitenste zijn zeer kort en aanliggend behaard en de binnenste zijn van binnen kaal.


Rasbak -
CC BY-SA 3.0


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl

Vruchten: De zaadjes zijn strobruin, glad, met tien ribben en 1½-2½ mm lang. Aan de top zijn ze versmald en hebben geen snavel. Het witte vruchtpluis is buigzaam. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één jaar). Een eenzadige dopvrucht of nootje. Tweezaadlobbig.


Rasbak -
CC BY-SA 3.0


Rasbak -
CC BY-SA 3.0


Steve Hurst - USDA-NRCS PLANTS Database


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige, open tot gesloten, grazige plaatsen op droge tot vochtige, matig voedselarme tot zeer voedselrijke, zwak zure tot basische, vaak omgewerkte grond (meestal op lichte grond en op stenige plaatsen, maar niet op veen).

Groeiplaatsen: Bermen, langs zandwegen, grasland (droog weiland), dijken, braakliggende grond, plantsoenen, tussen straatstenen, ruderale plaatsen, ruigten (voedselrijke ruigten), oude muren, bij hekwerken, beweide rivierduinen, akkers (akkerranden), zeeduinen (laag blijvend duingrasland) en langs spoorwegen (spoorwegterreinen).

Verspreiding

Wereld: Zuid-, West- en Midden-Europa. Ingevoerd in Noord- en Zuid-Amerika en Australië.

Nederland: Zeer algemeen.

Vlaanderen: Zeer algemeen. Het meest in de duinen.

Wallonië: Algemeen, maar zeldzamer in de Hoge Ardennen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 12, Jan Kops, P. M. E. Gevers Deijnoot en F. A. Hartsen (1865)



Flora Batava, deel 15, Jan Kops en F.W. van Eeden (1877)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)


English Botany, or Coloured Figures of British Plants, deel 5, J.E. Sowerby (1866)


© 2001-2020 K.M. Dijkstra