Wilde planten in Nederland en BelgiŽ

Klein wintergroen - Pyrola minor

Frysk: Lytse pearelblom

English: Common Wintergreen

FranÁais: Petite pyrole

Deutsch: Kleines WintergrŁn

Synoniemen: Pirola minor

Familie: Ericaceae (Heifamilie)

Naamgeving (Etymologie): Pyrola is het verkleinwoord van het Latijnse pyrus (peer) en slaat op de overeenkomst in vorm en glans van de bladen met die van de peer. Minor betekent kleiner.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Bloeimaanden: Mei, juni, juli en augustus.

Afmeting: 5-20 cm.


© Otto Zijlstra - verspreidingsatlas.nl


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


Bartosz Cuber -
CC BY-SA 3.0


Jerzy Opiola -
CC BY-SA 3.0

Wortels: Met worteluitlopers.


Neuch‚tel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Neuch‚tel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Neuch‚tel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Neuch‚tel Herbarium -
CC BY-SA 3.0

Stengels: Een rechtopstaande bloeistengel.


Tjerk Nawijn -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


BerndH -
CC BY-SA 3.0


Bernd Haynold -
CC BY-SA 2.5


Kristian Peters - CC BY-SA 3.0

Bladeren: De bladeren zijn iets lichter van kleur, doffer en dunner dan die van Rond wintergroen. Vaak zijn ze ook iets roodachtig. Verder zijn ze rondachtig tot eirond, gekartelden hebben een vlakke tot zwak gegolfde rand. De bladsteel is meestal korter dan de bladschijf. De schutbladen zijn langwerpig tot lijnvormig en zijn hoogstens halfstengelomvattend.


© Wijnand van Buuren - verspreidingsatlas.nl


Jerzy Opiola -
CC BY-SA 3.0


Rosser1954 -
CC BY-SA 4.0


Jan Stubenitzky -
CC BY-SA 3.0

Bloemen: Tweeslachtig. De 5-7 mm grote, overhangende bloemen zijn bleekroze tot vrijwel wit. Later worden ze iets oranjeachtig. Ze zijn bolvormig, vaak vrijwel gesloten en ze gaan nooit wijd open. De kelkslippen zijn driehoekig-eirond en zitten tegen de kroon aangedrukt. De stijl is recht en steekt niet buiten de kroon uit. Ook is de stijl niet verdikt en heeft vijf stervormig uitgespreide stempellobben.


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


Benjamin Zwittnig -
CC BY 2.5 si


Bartosz Cuber -
CC BY-SA 3.0


Jan Stubenitzky -
CC BY-SA 3.0

Vruchten: Een doosvrucht, die met vijf kleppen openspringt en met daarin zeer kleine zaadjes. De zaadjes hebben een opgeblazen fijnmazig netzakje om de kiem en worden door de wind verspreid. Tweezaadlobbig.


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0


Bartosz Cuber -
CC BY-SA 3.0


Kruczy89 - CC BY-SA 3.0


Kristian Peters - CC BY-SA 3.0

Biotoop

Bodem: Licht beschaduwde plaatsen op droge tot vochtige, voedselarme, zwak zure tot zure, kalkarme of soms iets kalkhoudende grond (zand, leem, veen en stenige plaatsen).

Groeiplaatsen: Bossen (loofbossen, naalbossen en langs bospaden), bosranden, heide, rotsen (richels), zeeduinen (duinvalleien), afgravingen (leemkuilen) en mijnsteenbergen.

Verspreiding

Wereld: Koele en gematigde delen op het noordelijk halfrond. Het meest in Noord- en Midden-Europa.

Nederland: Zeldzaam op de Waddeneilanden en in de Noord-Hollandse duinen en zeer zeldzaam in het oosten en midden van het land, in Zuid-Limburg en op Schouwen. Sterk achteruitgegaan.

Vlaanderen: Zeer zeldzaam. Sterk afgenomen.
WalloniŽ:
Zeldzaam.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 9, Jan Kops en Johannes Everhardus van der Trappen (1846)


Deutschlands flora, deel 4, J. Sturm, J.W. Sturm (1803-1804)


Flora regni borussici, deel 7, A.G. Dietrich (1839)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)


English Botany, or Coloured Figures of British Plants, deel 6, J.E. Sowerby (1866)


British entomology, deel 6, J. Curtis (1823-1840)


Svensk botanik, deel 8, J.W. Palmstruch e.a. (1807-1838)


Bilder ur Nordens Flora, deel 1, Carl Axel Magnus Lindman (1922-1926)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL