Wilde planten in Nederland en België

Knolspirea - Filipendula vulgaris

Frysk: Knolgeiteburd

English: Common Cudweed

Français: Spirée filipendule

Deutsch: Kleines Mädesüß

Synoniemen: Filipendula hexapetala

Familie: Rosaceae (Rozenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Filipendula is afgeleid van het Latijnse filum (draad) en pendula (hangen), een verwijzing naar de vele kleine bloemen die bij elkaar hangen aan draadachtige stengels. Vulgaris betekent gewoon.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Bloeimaanden: Juni en juli.

Afmeting: 30-60 cm.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl

Wortels: Eivormige knollen.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL

Stengels: De stengels staan rechtop.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Javier martin - Public Domain

Bladeren: De gezaagde bladen zijn langgerekt, worden tot 30 cm lang en bestaan uit ongeveer twintig bijna even grote deelblaadjes, de onderste bladeren hebben acht tot twintig paar grote deelblaadjes. Deze zijn 0,5-2,5 cm. Ze zijn aan beide kanten groen en diep ingesneden. Het eindblaadje is weinig of niet groter. De steunblaadjes zijn klein.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl

Bloemen: Tweeslachtig. De bloemen groeien in rijkbloemige, vlakke pluimen. Meestal zijn er zes eivormige kroonbladen, die groter zijn (0,5-1 cm) dan die van Moersspirea. Ze zijn wit en van onderen paarsroze.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL

Vruchten: Een eenzadige dopvrucht of nootje. De behaarde vruchten zijn ongeveer 4 mm. Ze zijn recht en niet gewonden. Tweezaadlobbig.


Steve Hurst - USDA-NRCS PLANTS Database


Andrea Moro -
CC BY-SA 4.0


Bff -
CC BY-SA 4.0


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige plaatsen op vrij droge, matig voedselarme tot matig voedselrijke, niet bemeste, neutrale, vaak kalkhoudende grond (leem, löss en mergel).

Groeiplaatsen: Grasland (kalkgrasland), bermen en bosranden.

Verspreiding

Wereld: Midden-Azie, bergstreken van Noord-Afrika en Midden-Europa. Ook op de Britse eilanden.

Nederland: Zeer zeldzaam, met name in het oostelijke rivierengebied.

Vlaanderen: Verwilderd. Niet inheems in  Vlaanderen.
Wallonië:
Verdwenen. Vroeger zeer zeldzaam in het Maasgebied en in de Ardennen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Afbeeldingen der artseny-gewassen met derzelver Nederduitsche en Latynsche beschryvingen, deel 2, Martinus Houttuyn (1796)


Cruijdeboek, deel 1, Rembert Dodoens. Gheslacht, onderscheet, fatsoen, naemen, cracht ende werckinghe (1554)


Naturalis Biodiversity Center


Deutschlands flora, deel 5, J. Sturm, J.W. Sturm (1804-1806)


New Kreüterbuch, L. Fuchs (1543)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)


Herbarium Blackwellianum, deel 5, E. Blackwell (1765)


English Botany, or Coloured Figures of British Plants, deel 3, J.E. Sowerby (1864)


Nouvelle iconographie fourragère (Atlas) J. Gourdon, P. Naudin (1865-1871)


Hortus Eystettensis, deel 2, Bessler, Basilius (1620)


Flora regni borussici, deel 7, A.G. Dietrich (1839)


Kräuterbuch, Unsere Heilpflanzen in Wort und Bild, Friedrich Losch (1905)


Svensk botanik, deel 3, J.W. Palmstruch e.a. (1807)


Bilder ur Nordens Flora, deel 2, Carl Axel Magnus Lindman (1922-1926))


British entomology, deel 2, J. Curtis (1823-1840)


Annales des sciences naturelles, Atlas, Audouin, Brongniart, Dumas, deel 1 (1824)


Oenanthe filipendula
Plantarum seu stirpium icones, deel 1, M. de Lobel (1581)

 

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL