Wilde planten in Nederland en België

Lansvaren - Polystichum lonchitis

Frysk:

English: Northern Holly Fern

Français: Polystic faux-lonchitis

Deutsch: Lanzenfarn

Synoniemen:

Familie: Dryopteridaceae (Niervarenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Polystichum komt van het Griekse polus (veel) en stichos (reeks), hetgeen slaat op de vele rijen vruchthoopjes op de bladen en lonchitis is afkomstig van het Griekse lonchè (lans).

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Sporenplant.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Rijpe sporen: Juni, juli en augustus.

Afmeting: 20 tot 50 cm.


RAMJ -
CC BY-NC 4.0


Meneerke bloem -
CC BY-SA 3.0


Michael Becker -
CC BY-SA 3.0


MurielBendel -
CC BY-SA 4.0

Wortels: De opstijgende wortelstok is dicht begroeid met tot 1 cm lange eironde schubben en kleinere smallere bruine schubben, die omringd worden door de resten van afgestorven bladeren.


hasbrouck.asu.edu -
CC BY-NC 3.0


web.corral.tacc.utexas.edu -
CC0-1.0


hasbrouck.asu.edu -
CC BY-NC 3.0


hasbrouck.asu.edu -
CC BY-NC 3.0

Stengels: De stengels zijn kort, krachtig en worden niet meer dan 1/6 keer zo lang als de bladschijf. Ze zijn begroeid met (evenals de bladspil) veel langwerpige tot lijnvormige schubben.


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiant -
CC BY-SA 4.0


OhWeh -
CC BY-SA 2.5


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiant -
CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiant -
CC BY-SA 4.0

Bladeren: De wintergroene bladeren zijn donkergroen, smal langwerpig, enkel geveerd en worden15-50 cm lang. Ze groeien in een vlakke, open bundel en hebben aan beide kanten van de bladspil twintig tot dertig blaadjes. De bladen zijn stijf, leerachtig. De blaadjes zitten dicht bij elkaar aan een korte steel of ze zijn zittend, naar de top toe zijn ze iets gekromd. Ze hebben een brede voet en zijn scheef wigvormig tot hartvormig. De deelblaadjes hebben een diep gezaagde, stekelpuntige tot genaalde rand. De voet van de deelblaadjes is breed scheef wigvormig of hartvormig. De onderste bladparen zijn driehoekig, de hogere paren worden geleidelijk langer (tot 4 cm) en smaller. De nerven. zijn veervormig en bereiken bijna de rand.


Jason Grant -
CC BY-NC 4.0


Jason Headley -
CC BY-NC 4.0


Brian Starzomski -
CC BY-NC 4.0


Zoom -
CC BY-NC 4.0

Vruchten: De sporenhoopjes vind je aan beide kanten van de middennerf en soms ook enkele aan de voet.


Emanuele -
CC BY-SA 4.0


aerin_j -
CC BY 4.0


Walter Siegmund -
CC BY-SA 3.0


Peter Zika -
CC BY-NC 4.0

Biotoop

Bodem: Beschaduwde plaatsen op matig droge tot vochtige, matig voedselrijke en kalkrijke grond (zand en stenige plaatsen).

Groeiplaatsen: Bossen (loofbossen), waterkanten (langs beschaduwde bosgreppels), steenhellingen, kalksteengroeves en rotsen in bossen. Voornamelijk een gebergteplant.

Verspreiding

Wereld: Voornamelijk in gebergten in gematigde en koudere streken op het noordelijk halfrond.

Nederland: Zeer zeldzaam.

Vlaanderen: Niet in Vlaanderen.
Wallonië:
Zeer zeldzaam.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Naauwkeurige beschrijving der aardgewassen. Eerste boek. Van allerley boomen, Abraham Munting (1696)


Pflanzenleben des Schwarzwaldes, Friedrich Oltmanns (1927)


Sudetenflora, M. Winkler (1900)


Plantarum indigenarum et exoticarum Icones ad vivum coloratae, deel 7 (1793)


English Botany, or Coloured Figures of British Plants, deel 12, J.E. Sowerby (1886)


Ferns (a history of Ferns): British and exotic, deel 6, E.J. Lowe (1839)


Die Alpenpflanzen nach der Natur gemalt, deel 4, J. Seboth, F. Graf (1839)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)


The ferns of Great Britain and Ireland, T. Moore (1855)


Hortus Romanus juxta Systema Tournefortianum, deel 8, Giorgio Bonelli (1783-1816)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL