Wilde planten in Nederland en België

Mannetjesvaren - Dryopteris filix-mas

Frysk: Mantsjefear

English: Male Fern

Français: Fougè remâle

Deutsch: Gemeiner Wurmfarn

Synoniemen:

Familie: Dryopteridaceae (Niervarenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Dryopteris komt van het Griekse drys of dryos (eik) en pteris (varen), waarmee bedoeld wordt een varen die op een eik kan groeien. Filix kan in verband staan met het Latijnse filum (draad) vanwege de wortelvezels. Mas betekent mannelijk.

Kruising: Mannetjesvaren kan een bastaard vormen met Geschubde mannetjesvaren (Dryopteris x tavelii).

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Sporenplant.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Rijpe sporen: Juni, juli, augustus, september en oktober.

Afmeting: 30 tot 120 cm.


Peter -
CC BY-NC 4.0


H. Zell -
CC BY-SA 3.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiant - CC BY-SA 4.0


Willow -
CC BY 2.5

Wortels: De forse, rechtopstaande wortelstok is meestal niet vertakt en begroeid met grote, stevige, lichtbruine schubben.


usuherbarium.usu.edu -
CC0-1.0


web.corral.tacc.utexas.edu -
CC0-1.0


web.corral.tacc.utexas.edu -
CC0-1.0


images.cyberfloralouisiana.com -
CC0-1.0

Stengels: De korte bladsteel is veel korter (minder dan 1/3 keer zo lang) als het blad en is begroeid (evenals de bladspil) met veel grote, stevige, lichtbruine schubben, maar naar de top zijn ze wat minder beschubd. De steel is zwak gootvormig en geelachtig. De bladsteel heeft 7 (6-8) periferische vaatbundels (2 aan de bovenzijde, 3 aan de onderzijde en 2 tussen beide groepen in).


Guido Verschoor -
CC BY-NC-SA 4.0


Kruczy89 -
CC BY-SA 3.0


Bjoertvedt -
CC BY-SA 3.0


Honigbonbon -
CC BY-SA 4.0

Bladeren: De stevige, wortelstandige, meestal niet overwinterende bladeren (ze sterven bij strengere vorst af, maar blijven in zachte winters wel tot het voorjaar staan) groeien in een bundel of kring. Ze zijn langwerpig, afnemend dubbel veerdelig, zowel onderaan als bovenaan smaller dan in het midden, worden tot 1½ meter lang en zijn van boven donkergroen en van onderen lichter groen. Aan beide kanten van de bladas groeien twintig tot vijfendertig bijna zittende, lijnvormige tot langwerpige, afnemend gezaagde deelblaadjes zonder stekelpuntje. Ze zijn van boven donkergroen en kaal en aan de onderkant lichtervan kleur. De naar de voet geplaatste paren zijn maar weinig korter dan de daarop volgende. De middennerf van het blad is tot aan de top toe met kleinere schubben bezet. De zijnerven hebben geen donkere vlek bij de aanhechting aan de bladspil. De jonge bladen zijn zwakgiftig. De bladknoppen ruiken bij het fijnwrijven naar bittere amandelolie.


Wouter Bol -
CC BY-NC 4.0


MurielBendel -
CC BY-SA 4.0


Valérie75 -
CC BY-SA 3.0


4028mdk09 -
CC BY-SA 3.0

Vruchten: Aan de onderzijde van de deelblaadjes zie je de vrij grote (1 ½ mm) sporendoosjes aan beide kanten van de middennerf, ongeveer halverwege de rand en met een groot, niervormig, blijvend dekvliesje. Ze bedekken nauwelijks 2/3 van de slippen, zijn vlak en de rand is niet omgekruld.


Marina Gorbunova -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


© Grada Menting - verspreidingsatlas.nl


© Grada Menting - verspreidingsatlas.nl


Frank Vincentz -
CC BY-SA 3.0

Biotoop

Bodem: Halfbeschaduwde tot beschaduwde, zelden zonnige plaatsen op meestal matig vochtige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, matig stikstofrijke tot stikstofrijke, zwak zure tot basische, kalkarme tot kalkhoudende grond (zand, leem, zavel en stenige plaatsen).

Groeiplaatsen: Bossen (humusrijke, lichte loofbossen en naaldbossen), struwelen, kapvlakten, hakhout, waterkanten (beschaduwde greppelkanten, langs sloten, kades en op steenglooiingen langs rivieren en voormalige zeearmen), langs spoorwegen (spoordijken), zeeduinen (noordhellingen, aan de rand van valleien en tussen duinstruikgewas), oude muren (o.a. boven water), basaltglooiingen en op boomstammen.

Verspreiding

Wereld: Vooral in Europa, Noord-Amerika, delen van Azië en Nieuw-Zeeland.

Nederland: Algemeen, maar minder algemeen in zeekleigebieden.

Vlaanderen: Algemeen.
Wallonië:
Algemeen.

Toepassingen

Vroeger werd de giftige wortelstok gebruikt als wormafdrijvend middel tegen lintworm.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 2, Jan Kops (1807)


Afbeeldingen der artseny-gewassen met derzelver Nederduitsche en Latynsche beschryvingen. Deel 6 (1801)


Varen Manneken
Cruijdeboek, deel 3, Rembert Dodoens. Wortelen, medecynale cruyden, ende quaden hinderlijcke ghewassen (1554)


Naauwkeurige beschrijving der aardgewassen. Eerste boek. Van allerley boomen, Abraham Munting (1696)


Kräuterbuch, Unsere Heilpflanzen in Wort und Bild, Friedrich Losch (1905)


Botanischer Bilderatlas nach dem natürlichem Pflanzensystem, K. Hoffmann, E. Dennert (1911)


Die officinellen Pflanzen der Pharmacopoea Germanica, F.G. Kohl (1891-1895)


Plantae medicinales, deel 2, Nees von Esenbeck, M.F. Wijhe, A. Henry (1828-1833)


New Kreüterbuch, L. Fuchs (1543)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)


Bilder ur Nordens Flora, deel 3, Carl Axel Magnus Lindman (1922-1926)


English Botany, or Coloured Figures of British Plants, deel 12, J.E. Sowerby (1886)


A curious herbal, deel 2, E. Blackwell (1739)


Herbarium Blackwellianum, deel 4, E. Blackwell (1760)


Flore médicale, deel 3, F.P. Chaumeton (1830)


Grandes Heures Anne de Bretagne, Jean (Jehan) Bourdichon (1503-1508)


Plantarum seu stirpium icones, deel 1, M. de Lobel (1581)


Stirpium historiae pemptades sex, sive libri XXX, R. Dodonaeus [Dodoens] (1583)


Botanische wandplaten


Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé (1885-1905)


Medizinal Pflanzen, deel 1, F.E. Köhler, W. Müller (1887)


Plantarum indigenarum et exoticarum Icones ad vivum coloratae, deel 6 (1792)


Atlas der officinellen Pflanzen, deel 4, O.C. Berg, C.F. Schmidt (1899-1902)


Repräsentanten einheimischer Pflanzenfamilien in bunten Wandtafeln mit erläuterndem Text, C. Bollmann (1879-1882)


Fig. A
Flora Norvegiae, deel 1, J.E. Gunner (1766-1772)


Svensk botanik, deel 1, J.W. Palmstruch e.a. (1803)


Ferns (a history of Ferns): British and exotic, deel 6, E.J. Lowe (1839)


The ferns of Great Britain and Ireland, T. Moore (1855)


Medical Botany, deel 4, W. Woodville, W.J. Hooker, G. Spratt (1832)


Herbier de la France, deel 4, P. Bulliard (1776-1783)


Hortus Romanus juxta Systema Tournefortianum, deel 8, Giorgio Bonelli (1783-1816)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL