Wilde planten in Nederland en België

Nederlandse namen

A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

Maretak - Viscum album

Andere namen

Frysk: Mistel

English: Mistletoe

Français: Gui

Deutsch: Mistel

Verouderde of andere namen: Vogellijm, Misteltoe, Mistel

Classificatie

Klasse: Spermatopsida

Orde: Santalales

Familie: Sandelhoutfamilie (Santalaceae)

Geslacht: Viscum (Maretak)

Soort: Viscum album

Naamgeving (Etymologie): Maretak is afgeleid van het Oud Germaanse woord mare (spook of heks). Ook ons hedendaagse woord nachtmerrie staat daarmee in verband. De plant zou zijn naam te danken hebben aan het vermogen om maren en andere boze geesten af te weren, hiertoe werd het in de stal opgehangen, of om met een Maretak in je hand was je in staat geesten te zien en zelfs met hen te spreken. Viscum betekent lijm die uit de bessen van maretakken geperst wordt. Album betekent wit.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Halfparasiet.

Winterknoppen: Fanerofyt.

Bloeimaanden: Maart, april en mei.

Afmeting: 20 tot 50 cm.


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL

Wortels: Maretak woekert op takken boven in de kroon van bomen. Het wortelstelsel is kamvormig. In de bast van de boom vormt hij zuigwortels en maakt contact met het vaatsysteem van zijn gastheerboom. Op deze manier kan de plant  water en voedingsstoffen opnemen.


Gerhard Elsner - CC BY-SA 3.0


Schurdl - CC BY-SA 4.0


George Chernilevsky - Public Domain

Stengels: De plant is ongeveer bolvormig (ca. 0,5 m). De groene, gevulde  takken zijn vanaf de voet een aantal keren gaffelvormig vertakt. Ieder stengeldeel verbreedt zich aan de top en loopt daar uit in twee gewrichten, waaraan de volgende delen ontspringen. Elk jaar komen er zo nieuwe stengeldelen bij.


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


http://www.kuleuven-kulak.be


© Malcolm Storey - bioimages.org.uk - CC-BY-NC-SA-2.0 uk

Bladeren: De in de winter groen blijvende, tegenoverstaande, langwerpig spatelvormige, leerachtige, geelgroene bladeren worden tot 6 cm lang. Ze groeien in paren of soms in kransen van drie of vier aan de top van de laatste stengeldelen. Er is geen bladsteel en er zijn ook geen steunblaadjes. De nerven lopen evenwijdig aan elkaar. De bladand is gaaf.


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL


© Malcolm Storey - bioimages.org.uk - CC-BY-NC-SA-2.0 uk

Bloemen: Eenslachtig. Tweehuizig. De kleine bloemen groeien in kleine groepjes aan de stengeluiteinden en in de gaffels. Het bloemdek is geelgroen, met meestal vier slippen, die aan de voet zijn vergroeid. Ze zijn meestal viertallig, maar soms vijftallig. Mannelijke bloemen zijn groter dan vrouwelijke. Mannelijk bloemen bevatten vier meeldraden voor de bloemdekslippen, vrouwelijke bloemen hebben een onderstandig vruchtbeginsel en een kussenvormige stempel.


Mannelijke bloem
http://www.kuleuven-kulak.be


Mannelijke bloem
http://www.kuleuven-kulak.be


© Malcolm Storey - bioimages.org.uk - CC-BY-NC-SA-2.0 uk


Kenraiz- CC BY-SA 3.0

Vruchten: Een steenvrucht. De 0,6-1 cm grote, ronde, witte tot iets geelachtige, glanzige en giftige bessen  rijpen in de winter. Het zijn een soort steenvruchten met één of meer zaden, die omgeven worden door geelachtig wit, slijmachtig vruchtvlees. De bessen worden door vogels verspreid via de uitwerpselen of doordat een  vogel zijn snavel met de  plakkerige bes afveegt aan een tak. Tweezaadlobbig.


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


Andrea Moro - CC BY-SA 4.0


© Malcolm Storey - bioimages.org.uk - CC-BY-NC-SA-2.0 uk


dzn.eldoc.ub.rug.nl


dzn.eldoc.ub.rug.nl


dzn.eldoc.ub.rug.nl

   

Biotoop

Bodem: Zonnige plaatsen boven in loofbomen op kalkrijke grond (mergel en zand). Deze halfparasiet woekert het meest op Zwarte populier, Canadese populier (Canada populier), Appel, Robinia en soms op Eenstijlige meidoorn.

Groeiplaatsen: In bomen in boomgaarden, bosranden en in vrijstaande bomen.

Verspreiding

Wereld: Gematigde streken in Europa, Azië en Noordwest-Afrika.


gbif.org

Nederland: Plaatselijk vrij algemeen in Zuid-Limburg en zeer zeldzaam in het oosten en midden en in de kalkrijke duinen.
Rode lijst 2012. Thans niet bedreigd. Trend sinds 1950: stabiel of toegenomen. Zeldzaam. Oorspronkelijk inheems. Beschermd.


verspreidingsatlas.nl

Vlaanderen: Zeldzaam, maar plaatselijk vrij algemeen in het oosten van de Leemstreek, het zuidelijke deel van de Maasvallei en in de Voerstreek.
Rode lijst. Thans niet bedreigd.


Wallonië: Plaatselijk vrij algemeen in het zuiden en zeldzaam in de Ardennen.

Toepassingen

De gaffel symboliseerde de geboorte (een uit twee), later werd de Maretak symbool van het kerstfeest. In Angelsaksische landen wordt de plant als kerstversiering gebruikt. Druïden sneden de plant met een gouden sikkel van de heilige Eik (een boom die zeer zelden gastheer is). De naam Vogellijm slaat op het gebruik van het vruchtvlees als een soort lijm die op takken werd gestreken om vogels te vangen. Een extract van de vruchten werd gebruikt als bloeddrukverlagend middel.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 23, Jan Kops, F.W. van Eeden en L.Vuyck (1911)


Flora Batava, deel 23, Jan Kops, F.W. van Eeden en L.Vuyck (1911)


Afbeeldingen der artseny-gewassen met derzelver Nederduitsche en Latynsche beschryvingen. Deel 6 (1801)


Afbeeldingen der artseny-gewassen met derzelver Nederduitsche en Latynsche beschryvingen. Deel 6 (1801)


Deutschlands Flora in Abbildungen, Jacob Sturm und Johann Georg Sturm


Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé (1885-1905)


Bilder ur Nordens Flora, Carl Axel Magnus Lindman (1917-1926)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)

© 2001-2018 K.M. Dijkstra