Wilde planten in Nederland en BelgiŽ

Moeraszegge - Carex acutiformis

Frysk: Sompesigge

English: Lesser Pond-sedge

FranÁais: LaÓche des marais

Deutsch: Sumpf-Segge

Synoniemen:

Familie: Cyperaceae (Cypergrassenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Zegge stamt uit het Indogermaanse woord seq (snijden). Carex is zeer waarschijnlijk afgeleid van het Latijnse ceiro (ik snij), een verwijzing naar de scherpe kanten van de bladeren. Acutiformis betekent met een scherpe of spitse vorm.

Kruising: Moeraszegge kan een kruising vormen met Draadzegge (Carex x uechtritziana) en met Oeverzegge (Carex x sooi).

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Helofyt of geofyt.

Hoofdbloei: Mei en juni.

Afmeting: 50-100 cm.


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


Luciano Arcorace -
CC BY-NC 4.0


AnRo0002 -
CC0


Sten -
CC BY-SA 3.0

Wortels: Lange, kruipende wortelstokken.


Ulrika Notdurfter - CC BY-NC-ND 4.0


Nikolay Panasenko -
CC BY-NC 4.0


Moscow University -
CC BY 4.0


Universitšt Wien -
CC BY 4.0

Stengels: Vaak zodevormend. De kale, bebladerde stengels worden tot 4 mm dik. Ze staan meestal stijf rechtop en zijn scherp driekantig en ruw. Ze zijn meestal ongeveer even lang als de bladen.


AnRo0002 -
CC0


Fornax -
CC BY-SA 3.0


kuleuven-kulak.be/bioweb


Attilio Marzorati -
CC BY-NC-ND 4.0

Bladeren: De bladeren zijn van boven glanzig donkergroen en van onderen blauwgrijs. Ze zijn 0,5-1(-2) cm breed en hangen vaak over. De dwarsnerven in de bladscheden en bladschijven zijn minder opvallend dan die van Oeverzegge. De onderste bladscheden zijn meestal paars aangelopen en gaan rafelen.


AnRo0002 -
CC0


AnRo0002 -
CC0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Malcolm Storey - bioimages.org.uk -
CC-BY-NC-SA-2.0 uk

Bloemen: Eenslachtig. Eenhuizig. De brede schutbladen lijken op gewone bladen. De onderste zijn meestal langer dan de bloeiwijze en zonder schede (of een zeer korte schede). De twee of drie mannelijke aren staan dicht bij elkaar bovenaan de stengel. Daaronder zie je twee of meer, iets verder uit elkaar staande, vrouwelijke aren. De rechtopstaande aren zijn kort gesteeld tot zittend en meestal niet langer dan 5 cm. De vrouwelijke aren zijn iets knotsvormig en 6-8 mm breed en hebben drie stempels (een enkele keer twee stempels). De kafjes zijn lancetvormig in een aan de rand gezaagde spits versmald, zwartbruin met een groene middenstreep en iets korter dan de urntjes (ongeveer 1 mm breed). De mannelijke aren zijn sigaarvormig, zwak driekantig en ongeveer 5 mm breed en meestal niet langer dan 3 cm.


Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


AnRo0002 -
CC0


AnRo0002 -
CC0

Vruchten: Een eenzadige dopvrucht of nootje. De kale urntjes zijn 4-5 mm lang en afgeplat driekantig, vaak dofgrijsbruin tot olijfgroen. Ze hebben een iets leerachtige wand en zijn versmald in een korte, lichtbruine, ondiep ingesneden snavel met afstaande tanden. De kleine vruchten zijn omgekeerd eirond en driekantig. De zaden zijn kortlevend (1-5 jaar). Eenzaadlobbig.


ramazan_murtazaliev -
CC BY-NC 4.0


Nikolay Panasenko -
CC BY-NC 4.0


Henri van Dodeweerd - CC BY-NC-ND 4.0


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige tot matig beschaduwde plaatsen op natte, matig voedselrijke tot voedselrijke, vaak kalkhoudende grond en in ondiep water, op plaatsen met grote waterstandswisselingen. Ook in zwak brak milieu (laagveen, rivierklei, zavel, leem, lŲ ss en zand).

Groeiplaatsen: Moerassen, waterkanten (luwe slibrijke kommen in zoetwatergetijdengebieden, sloten, petgaten, kleine plassen, vrij steil aflopende oevers van kanalen, aan de loefzijde van grote plassen en vlakke oevers van weidesloten), grasland (beekdalhooiland), heide, zeeduinen (lage duinkopjes met een waterkerende laag in de ondergrond en duinbosjes), bossen (moerasige laagten, rivier- en beekbegeleidende bosse en bronbossen), getijdengrienden, hakhoutbosjes, bosjes op zandige stroomruggen en polderbosjes.

Verspreiding

Wereld: West- en Midden-AziŽ, Noordwest-Afrika en in Europa van Noord-Spanje, Zuid-ItaliŽ en de Balkan tot in Zuid-ScandinaviŽ . Ingeburgerd in Zuid-Afrika en Noord-Amerika.

Nederland: Algemeen, maar vrij zeldzaam op de zandgronden in Noordoost-Nederland. Zeldzaam of ontbrekend op zeeklei.

Vlaanderen: Algemeen.
WalloniŽ :
Vrij algemeen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 12, Jan Kops, P. M. E. Gevers Deijnoot en F. A. Hartsen (1865)


Flora Batava, Jan Kops en F. W. van Eeden. Deel 17 (1885)


Deutschlands Flora in Abbildungen, Jacob Sturm und Johann Georg Sturm


No. 103
Beschreibung und Abbildung der theils bekannten, theils noch nicht beschriebenen Arten von Riedgršsern, C. Schkuhr (1801)


Fig. 1-11
Genera plantarum florae germanicae, Monocotyledones 2 Cyperaceae, deel 3, T.F.L. Nees von Esenbeck (1843)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL