Wilde planten in Nederland en België

Muizenoor - Pilosella officinarum

Frysk: Mûze-earke

English: Mouse-ear Hawkweed

Français: Epervière piloselle

Deutsch: Kleines Habichtskraut

Synoniemen: Hieracium pilosella

Familie: Asteraceae (Composietenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Pilosella betekent een weinig behaard. Officinarum betekent geneeskrachtig.

Kruisingen: Muizenoor kan met verschillende verwante soorten kruisen.
1. Een bastaard met Weidehavikskruid (Pilosella flagellaris). Kenmerk: Omwindselbladen met zwarte klierharen.
De kruising van Weidehavikskruid met Muizenoor wordt meestal tezamen met, of in de buurt van de oudersoorten gevonden. Grazige, niet te droge bermen, dijken en taluds op zand of lemige grond lijkt een goede omschrijving van de vindplaatsen te zijn. Het is gebleken dat de hybride vrij gemakkelijk ontstaat wanneer beide soorten dicht bij elkaar groeien. De habitus van Weidehavikskruid x Muizenoor blijkt intermediair te zijn tussen de oudersoorten. Alle soorten binnen het ondergeslacht Pilosella houden er verschillende reproductie methoden op na, geslachtelijke (seksuele) zowel als ongeslachtelijke (apomictische). Op deze manier zijn er vele kruisingen, ondersoorten en tussensoorten ontstaan die ook onderling weer relaties aangaan. De determinatie van het schier oneindig aantal verschillende vormen binnen het ondergeslacht Pilosella is niet altijd meer mogelijk. Daardoor zijn er weinig gegevens bekend over verspreiding en ecologie van Weidehavikskruid x Muizenoor.
Bert Lanjouw, 2015 - CC BY-SA 3.0


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Pieter Stolwijk
- CC BY-NC-SA 3.0 NL


© Bert Lanjouw - verspreidingsatlas.nl

2. Een bastaard met Grijs havikskruid (Hieracium x brachiatum). Kenmerk: Geen zwarte klierharen, bladen grijsachtig groen, plant meestal hoger dan de volgende.
3. Een bastaard met Spits havikskruid (Hieracium x schultesii). Kenmerk: Geen zwarte klierharen, bladen blauwachtig groen, plant laag.
4. Een bastaard met Oranje havikskruid (Hieracium x stoloniflorum).

Alle bastaarden kunnen op de ene of op de andere ouder lijken of ze staan in kenmerken tussen beide in. De bastaarden vormen plaatselijk hybridezwermen, herkenning van de oudersoorten kan op zulke plaatsen moeilijk of helemaal niet mogelijk zijn.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Bloeimaanden: Mei, juni, juli, augustus en september.

Afmeting: 2-30 cm.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL

Wortels: Een penwortel en met bovengrondse, wortelende uitlopers.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL

Stengels: Er zijn vrij lange bovengrondse uitlopers met verspreide kleine bladeren. Naar de top van de uitlopers neemt de grootte van de bladeren af. De rechtopstaande, grijsachtig groene, behaarde stengels dragen geen bladeren, maar soms wel één of twee schubvormige blaadjes. Bovenaan staat één bloemhoofdje. Plakkaten vormend.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL

Bladeren: De rozetbladen zijn langwerpig-spatelvormig of smal eirond. Vaak zijn ze boven het midden het breedst. Ze hebben een gave rand en staan meestal vrij vlak uitgespreid. Aan de bovenkant zitten verspreide enkelvoudige haren. Van onderen zijn ze dicht, witachtig en vaak viltig door sterharen. Bij langdurig droog weer krullen de bladen zich om met de witte onderkant naar boven. De bladen versmallen in de steel.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL

Bloemen: Tweeslachtig. De bloemen staan afzonderlijk aan de top van een steel. De citroengele hoofdjes zijn 2-3 cm groot. Er zijn alleen lintbloemen. De randbloemen zijn van onderen roodgestreept. De omwindselbladen zijn smal, lijnvormig, tot 1½ mm breed en begroeid met lange enkelvoudige haren en klierharen, maar soms ontbreken die. Wel zijn er sterharen aanwezig. Het vruchtbeginsel is onderstandig met een stijl stijl twee stempels.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL

Vruchten: Een eenzadige dopvrucht of nootje. De zaden zijn 1-2½ mm lang. Het vruchtpluis is wit en bestaat uit één rij haren. Op de nootjes zie je kleine ribben. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één jaar). Tweezaadlobbig.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Marinella Zepigi -
CC BY-NC-ND 4.0


Gianluca Nicolella -
CC BY-NC-ND 4.0


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige of, zelden licht beschaduwde, vrij open tot grazige plaatsen op droge tot iets vochthoudende, voedselarme tot matig voedselrijke, weinig of niet bemeste, fosfaatarme, matig zure tot kalkhoudende grond (zand, leem, löss, mergel, zavel en stenige plaatsen).

Groeiplaatsen: Grasland (schraal grasland, hooiland, weiland, gazons, beweid of regelmatig gemaaid kalkhellinggrasland en hoge delen van uiterwaarden), bermen, dijken, langs holle wegen, steile kantjes, zeeduinen (duinhellingen en duinvalleien), waterkanten (steile slootkanten en greppelkantjes), heide, afgravingen, oude muren, spleten van oude bestrating en lanen.

Verspreiding

Wereld: Zuidwest-Azië, Noordwest-Afrika en vrijwel heel Europa. Ingeburgerd in Nieuw-Zeeland en oostelijk Noord-Amerika.

Nederland: Algemeen, maar zeldzaam op zeeklei. Hier voornamelijk op aangevoerd zand.

Vlaanderen: Algemeen, maar zeldzamer in de Zandleemstreek en zeer zeldzaam in de Polders.


Wallonië: Algemeen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 1, Jan Kops (1800)


Afbeeldingen der artseny-gewassen met derzelver Nederduitsche en Latynsche beschryvingen. Deel 3 (1796)


Middel Piloselle
Cruijdeboek, deel 1, Rembert Dodoens. Gheslacht, onderscheet, fatsoen, naemen, cracht ende werckinghe (1554)


Deutschlands flora, deel 7, J. Sturm, J.W. Sturm (1808-1809)


Standortgewächse und Unkräuter in ihrer Beziehung zu Forst-, Garten- und Landwirtschaft und zu anderen Flächen, Julius Theodor Christian Ratzeburg (1859)


New Kreüterbuch, L. Fuchs (1543)


Bilder ur Nordens Flora, deel 1, Carl Axel Magnus Lindman (1922-1926)


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)


British entomology, deel 4, J. Curtis (1823-1840)


A curious herbal, deel 2, E. Blackwell (1739)


Atlas des plantes de France, deel 2, Amédée Masclef (1890)


Herbier de la France, deel 7, P. Bulliard (1776-1783)


Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé (1885-1905)


Flora regni borussici, deel 10, A.G. Dietrich (1842)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)


Svensk botanik, deel 7, J.W. Palmstruch e.a. (1807-1838)


English Botany, or Coloured Figures of British Plants, deel 5, J.E. Sowerby (1866)


Flora Londinensis, deel 4, William Curtis (1781-1784)


Herbarium Blackwellianum, deel 4, E. Blackwell (1760)


Flora Parisiensis, deel 3, P. Bulliard (1776-1781)


La flore et la pomone francaises, deel 2, J.H. Jaume Saint-Hilaire (1829)


Pilosella
Plantarum seu stirpium icones, deel 1, M. de Lobel (1581)

© 2001-2020 K.M. Dijkstra