Wilde planten in Nederland en België

Noords walstro - Galium boreale

Frysk:

English: Northern Bedstraw

Français: Gaillet boréal

Deutsch: Nordisches Labkraut

Synoniemen:

Familie: Rubiaceae (Sterbladigenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Walstro komt van wiegstro (wal betekent wieg). Walstrosoorten werden vroeger gebruikt (als stro) in wiegen. Galium komt van het Griekse gala (melk). Vroeger werden deze planten gebruikt om melk te stremmen (kaasbereiding). Boreale betekent noordelijk of noords.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Bloeimaanden: Juni, juli en augustus.

Afmeting: 30-50 cm.


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


© Adrie van Heerden - verspreidingsatlas.nl


Benjamin Zwittnig -
CC BY 2.5 si


Benjamin Zwittnig -
CC BY 2.5 si

Wortels


hasbrouck.asu.edu -
CC BY-NC 3.0


midwestherbaria.org -
CC BY-NC 3.0


swbiodiversity.org -
CC0-1.0


herbariaunited.org

Stengels: De stijf rechtopstaande stengels zijn vierkantig en kaal of kort behaard.


© Theo Muusse - verspreidingsatlas.nl


Iifar -
CC BY-SA 3.0


Benjamin Zwittnig -
CC BY 2.5 si


Matti Virtala -
CC0

Bladeren: De donkergroene bladen zijn langwerpig, dik en staan in kransen van vier. Ze hebben een stompe top, een omgerolde rand en drie forse evenwijdig lopende nerven.


© Theo Muusse - verspreidingsatlas.nl


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Salicyna -
CC BY-SA 4.0


Jerzy Strzelecki -
CC BY-SA 4.0

Bloemen: Tweeslachtig. De bloemen groeien in langwerpige, eindelingse bloeiwijzen. Ze zijn wit tot geelachtig, viertallig en 3-5 mm lang.


© Grada Menting - verspreidingsatlas.nl


Jacob W. Frank -
CC BY 2.0


Aaron Carlson -
CC BY-SA 2.0


Benjamin Zwittnig -
CC BY 2.5 si

Vruchten: Een splitvrucht. De bruine vruchten worden 1½-2 mm lang en hebben korte, haakvormige borstels, maar ze kunnen ook kaal zijn. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één jaar). Tweezaadlobbig.


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige, soms half beschaduwde plaatsen op vochtige tot natte, matig voedselrijke, vaak kalkhoudende grond (rivierklei, leem, veen en stenige plaatsen).

Groeiplaatsen: Bosranden, struwelen, grasland (hooiland, hooiweiden en nat, licht bemest grasland), heide (heideranden), waterkanten (langs beken), langs spoorwegen (spoorbermen), puinhellingen, grindafzettingen en rotsachtige plaatsen.

Verspreiding

Wereld: Koudere en koel-gematigde delen op het noordelijk halfrond. In de zuidelijke helft van Europa hoofdzakelijk in gebergten en vrijwel niet in de Noordwest-Europese laagvlakte.

Nederland: Zeer zeldzaam. Vroeger o.a. bij Nijmegen. Nu nog op één plaats in de Biesbosch.

Vlaanderen: Niet in Vlaanderen.
Wallonië:
Zeer zeldzaam in de zuidelijke Ardennen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 9, Jan Kops en Johannes Everhardus van der Trappen (1846)


Fig. 9-13
Genera plantarum florae germanicae, Conspectus, deel 6, T.F.L. Nees von Esenbeck (1854)


Svensk botanik, deel 2, J.W. Palmstruch e.a. (1803)


Bilder ur Nordens Flora, deel 1, Carl Axel Magnus Lindman (1922-1926)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)


English Botany, or Coloured Figures of British Plants, deel 4, J.E. Sowerby (1865)


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL