Wilde planten in Nederland en BelgiŽ

Oosterse wingerd - Parthenocissus tricuspidata

Frysk:

English: Boston-ivy

FranÁais: Vigne-vierge ŗ trois pointes

Deutsch: Dreispitzige Jungfernrebe

Synoniemen:

Familie: Vitaceae (Wijnstokfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Parthenocissus komt van het Griekse parthenon (maagd of vrijgezel) en kissos (klimop). Tricuspidata betekent driepuntig.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Struik (liaan).

Winterknoppen: Fanerofyt.

Bloeimaanden: Juli en augustus.

Afmeting: Tot 12 meter, zelden tot 30 meter.


Johan Bakker -
CC BY-SA 3.0


Muriel Bendel -
CC BY-SA 4.0


Johann Jaritz -
CC BY-SA 4.0


Salicyna -
CC BY-SA 4.0

Takken: De plant is zwak giftig. De plant heeft ranken met vijf tot acht, maar soms tot 12 vertakkingen, die in kleine, sterk hechtende, kleverige schijfjes eindigen.


Genevieve Botti - tela-botanica.org - CC BY-SA 2.0 FR


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiant - CC BY-SA 4.0


Johann Jaritz -
CC BY-SA 4.0


Aomorikuma -
CC BY-SA 4.0

Bladeren: Bladverliezend. De 5-22 cm grote bladeren zijn variabel. Ze zijn voor een deel drietallig. drielobbig en enkelvoudig, niet gedeeld.


Genevieve Botti - tela-botanica.org - CC BY-SA 2.0 FR


Liliane Roubaudi - tela-botanica.org - CC BY-SA 2.0 FR


Liliane Roubaudi - tela-botanica.org - CC BY-SA 2.0 FR


Genevieve Botti - tela-botanica.org - CC BY-SA 2.0 FR

Bloemen: Tweeslachtig. De bloemen zijn onopvallend, groenachtig en groeien in trosjes.


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiant - CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiant - CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiant - CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiant - CC BY-SA 4.0

Vruchten: Kleine ( 5-10 mm), berijpte en blauwachtige bessen. Ze worden door vogels gegeten en via de uitwerpselen worden de zaden zo verspreid. Tweezaadlobbig.


Marco Wentzel -
CC BY 4.0


Aomorikuma -
CC BY-SA 4.0


Dalgial -
CC BY-SA 3.0


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige tot beschaduwde plaatsen op droge tot vochtige, voedselrijke grond. De plant is goed bestand tegen droogte, vraat en erosie.

Groeiplaatsen: Bosranden, struwelen, kliffen, rotsachtige hellingen, langs spoorwegen, op afrasteringen, oude muren en in de duinen (vaak nabij bebouwing).

Verspreiding

Wereld: Oorspronkelijk uit China en Japan. Ingeburgerd in o.a Europa en Noord-Amerika.

Nederland: In 1867 voor het eerst in Nederland aangeplant. Verwilderd en waarschijnlijk op een paar plaatsen ingeburgerd.

Vlaanderen: Zeldzaam ingeburgerd.
WalloniŽ
: Niet in WalloniŽ.

Toepassingen

Toegepast als tuinplant, o.a. voor het bedekken van gevels van woonhuizen. De wortels werden vroeger gebruikt bij de behandeling van gezwellen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


La Belgique horticole, journal des jardins et des vergers, deel 27 (1877)


Gartenflora, deel 41, E. von Regel (1892)


Curtis's Botanical Magazine, deel 135, M. Smith (1909)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL