Wilde planten in Nederland en België

Schubvaren - Asplenium ceterach

Frysk: Lobfearke

English: Rustyback

Français: Cétérach officinal

Deutsch: Schriftfarn

Synoniemen: Ceterach officinarum

Familie: Aspleniaceae (Streepvarenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Asplenium komt van het Griekse a (niet) en splen (milt), omdat men dacht dat het gebruik een opgezwollen milt zou doen inkrimpen. Ceterach komt van het Arabische cheterak of sjetrak of het Latijnse cetra (schaal).

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Sporenplant.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Rijpe sporen: Juni, juli, augustus, september en oktober.

Afmeting: 5-20 cm.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL

Wortels: De korte wortelstok is opstijgend of staat rechtop. Vaak is deze vertakt en met zwarte tot zwartbruine, spitse schubben.


herbariaunited.org


imago.indiana.edu -
CC BY-NC 3.0


bisque.cyverse.org -
CC BY-NC 3.0


imago.indiana.edu -
CC BY-NC 3.0

Stengels: De lichtbruine bladstelen zijn veel korter dan het blad. Ze zijn begroeid met zilverig glanzende, later bruinachtige schubben.


Krzysztof Ziarnek -
CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0

Bladeren: De wintergroene bladen worden tot 20 cm lang. Ze groeien in dichte bundels en zijn zacht leerachtig, lijnvormig tot langwerpig, diep bochtig ingesneden tot geveerd, met afgeronde, driehoekige bladslippen en een korte steel. De onderkant is dicht begroeid met (net als de bladsteel) zilverig glanzende, later bruinachtige schubben. Bij droogte kan het blad helemaal samenkrullen en er dood uit zien. Als het weer vochtig wordt ontvouwt het blad zich weer.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL

Vruchten: Lijnvormige sporenhoopjes langs de zijnerven aan de onderkant van het blad, die eerst helemaal bedekt zijn door de schubben. Er is meestal geen dekvliesje, maar soms een zeer kort dekvliesje.


Klaas Dijkstra -
CC BY-NC-SA 3.0 NL


kuleuven-kulak.be/bioweb


Bernd Haynold -
CC BY-SA 3.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante - CC BY-SA 4.0

Biotoop

Bodem: Zonnige tot halfbeschaduwde plaatsen op droge, kalkrijke, niet te voedselarme tot niet te voedselrijke muren en rotsen (vooral kalksteen).

Groeiplaatsen: Oude muren, rotsen, spleten van stenen constructies en kalkstenen muurtjes langs begraafplaatsen en wegen.

Verspreiding

Wereld: West- en  Zuid-Europa.  Ook  in Noord-Afrika, op de Canarische eilanden en in Azië.

Nederland: Zeer zeldzaam. Het meest in stedelijke gebieden.

Vlaanderen: Zeldzaam.
Wallonië:
Zeldzaam.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Afbeeldingen der artseny-gewassen met derzelver Nederduitsche en Latynsche beschryvingen, deel 2, Martinus Houttuyn (1796)


Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé (1885-1905)


Botanischer Bilderatlas nach De Candolle's Natürlichem Pflanzensystem, Carl Hoffmann (1884)


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL