Wilde planten in Nederland en België

Smalle raai - Galeopsis angustifolia

Frysk: Smelle himpnettel

English: Red Hemp-nettle

Français: Galéopsis à feuilles étroites

Deutsch: Schmalblättriger Hohlzahn

Synoniemen: Galeopsis ladanum subsp. angustifolia, Smalbladige raai

Familie: Lamiaceae (Lipbloemenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Raai is een zeer oude naam voor onkruid of een snel groeiende plant die een boer veel last kan bezorgen. Galeopsis is afgeleid van het Griekse galea (bunzing, wezel of marter) en opsis (uitzien, voorkomen of gezicht), omdat de geopende bloemkroon werd vergeleken met de geopende bek van een bunzing, wezel of marter. Angustifolia betekent met smalle bladen.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Eenjarig.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Therofyt.

Bloeimaanden: Juni, juli, augustus, september en oktober.

Afmeting: 7-50 cm.


Bernd Haynold -
CC BY-SA 3.0


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0


Bernd Haynold -
CC BY-SA 3.0

Wortels


herbariaunited.org


herbariaunited.org


herbariaunited.org


herbariaunited.org

Stengels: De stengels zijn op de knopen niet verdikt. Vaak zijn ze sterk bruinpaars aangelopen. Ze zijn begroeid met verspreide, aanliggende, zachte haren.


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0


AnRo0002 -
CC0

Bladeren: De lijnvormige tot langwerpige bladeren zijn meestal gesteeld en 2-6 mm breed. Ze hebben een gave rand of ze hebben aan beide kanten één tot vier ondiepe insnijdingen (karteltanden). De bovenste bladeren kunnen kaal of behaard zijn, maar niet kort fluwelig.


Fornax -
CC BY-SA 3.0


Thierry Pernot - tela-botanica.org - CC BY-SA 2.0 FR


© Adrie van Heerden - verspreidingsatlas.nl


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiant - CC BY-SA 4.0

Bloemen: Tweeslachtig. De schijnkransen bevatten zes tot tien bloemen. De bloemen zijn diep-rozerood en 1,4-2,4 cm lang. De bovenlip is zwak getand en de onderlip heeft een gele of soms witte vlek. De kelk is wit en is begroeid met aangedrukte haren, maar meestal geen klierharen.


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0


AnRo0002 -
CC0


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0


Bernd Haynold -
CC BY-SA 3.0

Vruchten: Een splitvrucht. Tweezaadlobbig.


Stefan.lefnaer -
CC BY-SA 4.0


Karl Sauerbrey -
CC BY-SA 3.0


Jean-Pascal Milcent - tela-botanica.org - CC BY-SA 2.0 FR


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige, warme, open plaatsen (pioniervegetaties) op droge tot matig vochtige, matig voedselrijke, stikstofrijke, kalkrijke, verstoorde grond (grind en andere stenige plaatsen, zand, leem en mergel).

Groeiplaatsen: Akkers (graanakkers op kalkhellingen en akkerranden), langs spoorwegen (ballastbedden en schouwpaden op spoorwegterreinen, meestal tussen grind), rolsteenhellingen, puinhellingen, grindafzettingen langs de Maas, afgravingen (steengroeven) en dijken.

Verspreiding

Wereld: Zuid-, West- en Midden-Europa. Oorspronkelijk noordelijk tot in Nederland. Ook in Schotland en Zuid-Scandinavië.

Nederland: Zeer zeldzaam, o.a. in Limburg en Noord-Brabant.

Vlaanderen: Zeer zeldzaam. Het meest in de Maasvallei. Sterk afgenomen.

Wallonië: Vrij zeldzaam in het Maasgebied en zeldzaam in de Ardennen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Deutschlands Flora in Abbildungen, Jacob Sturm und Johann Georg Sturm


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)

© 2001-2020 K.M. Dijkstra