Wilde planten in Nederland en BelgiŽ

Stippelvaren - Oreopteris limbosperma

Frysk: Stippelfear

English: Lemon-scented Fern

FranÁais: FougŤre des montagnes

Deutsch: Bergfarn

Synoniemen: Dryopteris oreopteris, Lastrea oreopteris,Thelypteris limbosperma

Familie: Thelypteridaceae (Moerasvarenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Stippelvaren slaat op de gele kliertjes aan de onderzijde van het blad, waardoor het blad er gestippeld uitziet. Oreopteris is afkomstig van het Griekse oreos (berg) en pteris (varen of vleugel). De soortaanduiding limbosperma komt van limbo (weinig) en spermum (zaad), dat slaat op de kleine sporenhoopjes van de soort.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Sporenplant.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Rijpe sporen: Juli, augustus en september.

Afmeting: 30-90 cm.


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


© Joop Verburg - verspreidingsatlas.nl


ftjepple -
CC BY-NC 4.0


Endre Nygaard
- CC BY-NC-SA 4.0

Wortels: Een korte, dikke, rechtopstaande of opstijgende (schuine) wortelstok.


herbariaunited.org


herbariaunited.org


herbariaunited.org


herbariaunited.org

Stengels: Stengels met enige kleine, bruine schubben (ook te zien ook op het onderste derde deel van de middennerf van het blad). De bladsteel is kort (maximaal 1/4 keer zo lang als de bladschijf) en heeft twee bandvormige vaatbundels.


Christian Berg -
CC BY-NC 4.0


Endre Nygaard
- CC BY-NC-SA 4.0


alrumpel -
CC BY-NC 4.0


Romulea - tela-botanica.org - CC BY-SA 2.0 FR

Bladeren: De zachte, lang gerekte, lichtgroene bladeren staan schuin omhoog in een regelmatige kring (in een bundel of trechter bijeen). Ze zijn wortelstandig of kort gesteeld, worden tot 1 meter lang, zijn afnemend dubbel veerdelig (geveerd met veerspletige slippen) en naar de top versmald en naar de voet sterk versmald. Op het onderste deel van de bladspil zitten enkele bruine schubben. Aan beide kanten groeien twintig tot dertig breed aangehechte, veerdelige deelblaadjes, die niet zijn gesteeld. Ze staan vrij dicht bijeen, de onderste tegenoverstaand en de bovenste afwisselend. De bladdelen van de vruchtbare bladen hebben een vlakke rand. Aan de onderkant vind je (verspreid-liggende) gele klieren, die bij wrijving aromatisch ruiken. Voor het overige zijn ze kaal. De bladen zijn niet wintergroen.


Stephen Moores -
CC BY-NC 4.0


Felix Riegel -
CC BY-NC 4.0


Felix Riegel -
CC BY-NC 4.0


Endre Nygaard
- CC BY-NC-SA 4.0

Vruchten: De sporenhoopjes vind je vlakbij de rand op de zijnerven. Ze komen ten slotte dicht opeen, maar vloeien niet samen. Ze zijn bedekt met een klein, niervormig, vroeg afvallend dekvliesje. De sporangien zijn lichtbruin.


Tonje Aspelund -
CC BY 4.0


© Grada Menting - verspreidingsatlas.nl


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


© Joop Verburg - verspreidingsatlas.nl

Biotoop

Bodem: Beschaduwde plaatsen op matig vochtige tot vrij natte, voedselarme, humeuze, zure tot zwak zure zandgrond.

Groeiplaatsen: Bossen (loofbossen en langs beschaduwde greppelkanten), moerassige plaatsen en bosranden.

Verspreiding

Wereld: Gematigde streken in Europa. Ook op enkele plaatsen in AziŽ en in westelijk Noord-Amerika. Overwegend een gebergteplant.

Nederland: Zeldzaam.

Vlaanderen: Zeldzaam.
WalloniŽ:
Zeldzaam.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 19, Jan Kops en F.W. van Eeden (1893)


Flora Danica Georg Christian Oeder e.a. (1761-1888)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL