Wilde planten in Nederland en BelgiŽ

Tweehuizige zegge - Carex dioica

Frysk: Feansigge

English: Dioecious Sedge

FranÁais: LaÓche dioÔque

Deutsch: Zweihšusige Segge

Synoniemen: Carex dioeca

Familie: Cyperaceae (Cypergrassenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Zegge stamt uit het Indogermaanse woord seq (snijden). Carex is zeer waarschijnlijk afgeleid vanhet Latijnse ceiro (ik snij), een verwijzing naar de scherpe kanten van de bladeren. Dioica betekent tweehuizig.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Bloeimaanden: Mei.

Afmeting: 5-30 cm.


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


Daderot -
CC0


Ennio Cassanego -
CC BY-NC-ND 4.0

Wortels: Een kruipende, zeer dunne, vertakte wortelstok met uitlopers.


© University of Tartu, Estonia - CC BY-SA 4.0


Herbier Pontarlier-Marichal -
CC BY-SA 2.0 FR


Ennio Cassanego -
CC BY-NC-ND 4.0


herbariaunited.org

Stengels: De bloeistengels zijn afgerond-driekantig. De scheden zijn glanzig lichtbruin. Tweehuizige zegge is een vrij donker groene, tengere plant.


© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Matti Virtala -
CC0


Kristian Peters -
CC BY-SA 3.0

Bladeren: De bladeren zijn borstelvormig en nog geen 1 mm breed.


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
CC BY-SA 4.0


Ennio Cassanego -
CC BY-NC-ND 4.0


© Gertjan van Noord - waarneming.nl

Bloemen: Eenslachtig. Tweehuizig. Aan de stengeltop staat slechts ťťn aar. Bij mannelijke planten is deze spoelvormig, bleekbruin en wordt tot 1Ĺ cm lang. Vrouwelijke planten hebben een compacte, eivormige, donkerbruine, zelden meer dan 1 cm lange aar. De bloemen hebben twee stempels.


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Mannelijk
© Willem Braam - verspreidingsatlas.nl


Mannelijk
© Jakob Hanenburg - verspreidingsatlas.nl


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante - CC BY-SA 4.0

Vruchten: Een eenzadige dopvrucht of nootje. De urntjes staan horizontaal uit als ze rijp zijn. Ze zijn dof donkerbruin tot paarsbruin, lensvormig, eirond, generfd en 3-4 mm lang. Ze hebben een korte, fijn getande snavel. Eenzaadlobbig.


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Andrey Zharkikh -
CC BY 2.0


Andrey Zharkikh -
CC BY 2.0


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige plaatsen op natte, voedselarme, niet bemeste, vrij kalkarme, zwak zure, humusrijke tot venige grond (veen, leem en leemhoudend zand) met een stabiel grondwaterpeil (net onder het maaiveld).

Groeiplaatsen: Grasland (bauwgrasland), moerassen (kalkmoerassen en moerasjes) en heide (afgeplagde plekken op leem).

Verspreiding

Wereld: West-SiberiŽ, Noord- en Noordwest-Europa, het noordelijk deel van Midden-Europa en op enkele plaatsen in Zuidwest-Europa.
Nauw verwante (onder)soorten groeien in Noord-AziŽ en het noordelijke deel van Noord-Amerika.

Nederland: Zeer zeldzaam, o.a. nog in Drenthe en Frysl‚n. Zeer sterk afgenomen.

Vlaanderen: Zeer zeldzaam in de Kempen. Zeer sterk afgenomen.
WalloniŽ:
Zeer zeldzaam.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 6, Jan Kops en Herman Christiaan van Hall (1832)


Deutschlands Flora in Abbildungen, Jacob Sturm und Johann Georg Sturm


Flora von Deutschland, ÷sterreich und der Schweiz, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomť (1885-1905)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)


Bilder ur Nordens Flora, Carl Axel Magnus Lindman (1917-1926)


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL