Wilde planten in Nederland en België

Walstrobremraap - Orobanche caryophyllacea

Frysk: Gielslytfretter

English: Clove-scented Broomrape

Français: Orobanche giroflée

Deutsch: Labkraut-Sommerwurz

Synoniemen: Orobanche galii

Familie: Orobanchaceae (Bremraapfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Orobanche komt van het Griekse orobus (een peulvrucht) en anchoo (wurgen). Het wurgen slaat op het onttrekken van voedingsappen uit de voedsterplant. Caryophyllacea betekent anjelierachtig.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid, parasiet.

Winterknoppen: Geofyt.

Hoofdbloei: Mei en juni(-juli).

Afmeting: 10-60 cm.


Piet Bremer
- cc by-nc-sa 3.0 nl


© Dick kerkhof - verspreidingsatlas.nl


Bernard Dupont -
cc by-sa 2.0


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
cc by-sa 4.0

Wortels


herbariaunited.org


herbariaunited.org


herbariaunited.org


herbariaunited.org

Stengels: De stengels zijn weinig verdikt aan de basis. Ze zijn klierachtig behaard, geelachtig of paarsachtig. Soms heeft de stengel vanaf de grond bloemen, maar soms ook alleen in de bovenste helft.


© Dick kerkhof - verspreidingsatlas.nl


Bernd Haynold -
cc BY 2.5


Bernd Haynold -
cc by-sa 3.0


Bernd Haynold -
cc by-sa 3.0

Bladeren: De blaadjes zijn honinggeel, roze, vleeskleurig of wijnrood. De schubbladen zijn kort, smal driehoekig-langwerpig en spits.


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


kuleuven-kulak.be/bioweb


Andrea Moro - dryades.units.it/cercapiante -
cc by-sa 4.0


© Malcolm Storey - bioimages.org.uk -
cc by-nc-sa-2.0 uk

Bloemen: Tweeslachtig. De schutbladen zijn ongeveer net zo lang als de bloemkroon. De bloemen zijn roodachtig, bruinpaars (heel soms geel). Ze zijn (1,7-)2-3,5 cm lang. De lobben van de bovenlip en de onderlip zijn dicht klierachtig behaard, ook langs de randen. De bovenlip is zwak uitgerand. De middeenlob van de onderlip is ongeveer net zo lang als de zijlobben. De achterkant van de kroon is tot net onder het midden recht, maar daaronder is hij plotseling gebogen. De kelk bestaat uit twee vrije of aan de buikzijde met elkaar verbonden helften. De onderaan dicht behaarde meeldraden staan op 1-4 mm boven de voet op de kroonbuis. De helmhokjes zijn na de bloei bruin. De stempel is roodachtig of bruinpaars (zelden geel). De bloemen verspreiden een sterke geur.


© Otto Zijlstra - verspreidingsatlas.nl


Piet Bremer
- cc by-nc-sa 3.0 nl


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


© Koen van Zoest - verspreidingsatlas.nl

Vruchten en zaden: Een doosvrucht. Tweezaadlobbig.


Kristian Peters -
cc by-sa 3.0


Yoan Martin - tela-botanica.org -
cc by-sa 2.0 fr


Nico Cuppen - waarneming.nl


©2006 Digital Plant Atlas -
cc by-nc-sa 3.0 nl

Biotoop

Bodem: Zonnige, vrij open tot grazige plaatsen op droge, matig voedselarme, kalkrijke zandgrond. Deze parasiet De plant woekert voornamelijk op Geel walstro, maar ook wel op Glad walstro.

Groeiplaatsen: Zeeduinen (duingrasland), rivierduinen, rivierdijken, langs spoorwegen (zelden op aangevoerd duinzand van spoorbermen), grasland (kalkgrasland) en bermen (vooral op hellingen).

Verspreiding

Wereld: Zuidwest-Azië, Noordwest-Afrika (Atlasgebergte), Midden- en Zuid-Europa en langs de kust van Zuidwest-Frankrijk tot in Nederland.\

Nederland: Inheems. Zeldzaam.

Vlaanderen: Inheems. Zeldzaam in de duinen.
Wallonië:
Inheems. Zeer zeldzaam.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 13, Jan Kops, F. A. Hartsen en F.W. van Eeden (1868)


Deutschlands Flora in Abbildungen, Jacob Sturm und Johann Georg Sturm


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)

2001-2022 K.M. Dijkstra - cc by-nc-sa 3.0 nl