Wilde planten in Nederland en België

Wijfjesvaren - Athyrium filix-femina

Frysk: Wyfkefear

English: Lady Fern

Français: Fougère femelle

Deutsch: Frauenfarn

Synoniemen: Asplenium filix-femina

Familie: Athyriaceae (Wijfjesvarenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Athyrium komt van het Griekse a (niet) en thyrion (deurtje of venster), dus zonder deurtje, omdat het gewimperde dekvliesje als niet openscheurend werd beschouwd, of omdat de mazen van het adernet van de wortelstokken ondoorschijnend zijn. Filix-femina betekent vrouwelijke varen.

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Afmeting: 30-80 cm.

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Sporenplant.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Rijpe sporen: Juli, augustus en september.


catchang -
CC BY-NC 4.0


kuleuven-kulak.be/bioweb


Vatadoshu -
CC0


Rasbak-
CC BY-SA 3.0

Wortels: Een dikke, opstijgende tot rechtopstaande wortelstok. Het jongere deel is begroeid met donkerbruine of zwarte schubben.


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


s.idigbio.org -
CC0-1.0

Stengels: De paarsbruine en dun beschubde bladsteel is vrij kort (tot half zo lang dan de bladschijf). Het bovenste deel van de bladsteel en de bladspil is groen, maar kan soms wat rood zijn aangelopen.


kuleuven-kulak.be/bioweb


kuleuven-kulak.be/bioweb


Guido Gerding -
CC BY-SA 3.0


© Malcolm Storey - bioimages.org.uk -
CC-BY-NC-SA-2.0 uk

Bladeren: Dichte spiraalvormige bundels van lichtgroene, langwerpige tot eironde, dubbel tot drievoudig geveerde bladeren met de grootste breedte ongeveer in het midden. De bladen zijn meestal teer en zacht, kortgesteeld, toegespitst en aan beide kanten versmald. De deelblaadjes zijn vrij diep ingesneden (de randen zijn min of meer gekarteld). De bladslippen zijn langwerpig, getand en stomp. De bladen sterven in het najaar af.


kuleuven-kulak.be/bioweb


kuleuven-kulak.be/bioweb


kuleuven-kulak.be/bioweb


kuleuven-kulak.be/bioweb

Vruchten: De sporenhoopjes groeien op de laagste zijnerven. vlak langs beide kanten van de middennerf. De blijvende (ze vallen laat af), lijnvormige dekvliesjes zijn gewimperd. Ze zijn op de rugzijde van de nerf vastgehecht. De onderste zijn meestal haakvormig (hoefijzervormig), de andere zijn langwerpig tot lijnvormig.


kuleuven-kulak.be/bioweb


kuleuven-kulak.be/bioweb


kuleuven-kulak.be/bioweb


kuleuven-kulak.be/bioweb

Biotoop

Bodem: Beschaduwde plaatsen op vochtige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, zwak zure grond (zand, veen en leem).

Groeiplaatsen: Bossen (oudere loofbossen, greppelkanten en opengekapte plekken in broekbossen), heggen, struwelen, waterkanten (beekoevers, slootkanten, kanaaloevers en soms op vochtige muren aan waterkanten en steenglooiingen).

Verspreiding

Wereld: Voornamelijk op het noordelijk halfrond. Hoofdzakelijk in gematigde streken. Ook in Nieuw-Zeeland en op enkele plaatsen in Zuid-Amerika en Afrika.

Nederland: Algemeen, maar zeldzamer op zeeklei.

Vlaanderen: Algemeen, maar zeldzamer in het kustgebied.
Wallonië:
Algemeen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 12, Jan Kops, P. M. E. Gevers Deijnoot en F. A. Hartsen (1865)


Varen Wijfken
Cruijdeboek, deel 3, Rembert Dodoens. Wortelen, medecynale cruyden, ende quaden hinderlijcke ghewassen (1554)


Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé (1885-1905)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL