Wilde planten in Nederland en BelgiŽ

Zaagblad - Serratula tinctoria

Frysk:

English: Saw-wort

FranÁais: Serratule des teinturiers

Deutsch: Fšrberscharte

Synoniemen:

Familie: Asteraceae (Composietenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Serratula komt uit het Latijn: serratus of serra (zaag), vanwege de scherp gezaagde bladrand. Tinctoria betekent verfleverend. Vroeger werd er een gele verfstof uit de plant gewonnen.

Beschrijving

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Hemikryptofyt.

Bloeimaanden: Juni, juli, augustus en september.

Afmeting: 30 tot 90 cm.


Franz Xaver -
CC BY-SA 3.0


Jmp48 -
CC BY-SA 3.0


Meneerke bloem -
CC BY-SA 3.0


Boris Gaberöcek -
CC BY 2.5 si

Wortels: Een korte, dikke wortelstok.


herbariaunited.org


herbariaunited.org


herbariaunited.org


herbariaunited.org

Stengels: De dunne stengels zijn niet gevleugeld, kaal en donkergroen.


Benjamin Zwittnig -
CC BY 2.5 si


Benjamin Zwittnig -
CC BY 2.5 si


Benjamin Zwittnig -
CC BY 2.5 si


© Malcolm Storey - bioimages.org.uk -
CC-BY-NC-SA-2.0 uk

Bladeren: De rozetbladen hebben lange stelen. De stengelbladeren zijn vaak dieper ingesneden. Verder zijn ze scherp gezaagd, eirond of langwerpig en ongedeeld tot geveerd. De bovenste bladeren zijn zittend.


Hectonichus -
CC BY-SA 3.0


Benjamin Zwittnig -
CC BY 2.5 si


Enrico Blasutto -
CC BY-SA 3.0


© Malcolm Storey - bioimages.org.uk -
CC-BY-NC-SA-2.0 uk

Bloemen: Polygaam (ze kunnen tweeslachtig of vrouwelijk zijn). De bloemhoofdjes vormen samengestelde pluimen. De smalle, paarse hoofdjes zijn 1Ĺ-2 cm lang en eivormig. De bloemen zijn niet stralend. Het opgerichte, paarsachtige omwindsel is ongeveer twee keer zo hoog als breed. Het heeft geen stekels. De omwindselbladen liggen als dakpannen over elkaar en tegen elkaar aangedrukt. Ze hebben een paarsrode top. De bloemhoofdjesbodem is vlak en gevuld met merg. De stroschubben lijken op haren.


Hectonichus -
CC BY-SA 3.0


Kristian Peters -
CC BY-SA 3.0


Enrico Blasutto -
CC BY-SA 3.0


Boris Gaberöcek -
CC BY-SA 3.0

Vruchten: Een eenzadige dopvrucht of nootje. De zaden zijn 5 mm lang. Het vruchtpluis bestaat uit licht strokleurige haren, die aan de voet niet met elkaar vergroeid zijn en ieder apart afvallen. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan ťťn jaar). Tweezaadlobbig.


Roger Culos -
CC BY-SA 3.0


Roger Culos -
CC BY-SA 3.0


© Malcolm Storey - bioimages.org.uk -
CC-BY-NC-SA-2.0 uk


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige tot half beschaduwde plaatsen op vochtige tot vrij natte, voedselarme tot matig voedselrijke, humeuze, meestal zwak zure, zelden kalkhoudende, lemige tot kleiige grond.

Groeiplaatsen: Bossen (lichte plaatsen en langs greppels), bosranden, loofhoutbosjes, struwelen, heide, grasland (blauwgrasland, schraal grasland en beekdalgrasland), bermen en langs holle wegen.

Verspreiding

Wereld: In West-AziŽ, Oost-, Midden- en Zuid-Europa. Noordelijk tot in Nederland, Noord-Engeland en het Oostzeegebied.

Nederland: Verdwenen. Vroeger zeer zeldzaam in het noordoosten van het land en langs de Overijsselse Vecht. Voor het laatst gevonden in 1977.

Vlaanderen: Zeer zeldzaam, o.a. nog  ten zuiden en oosten van Brugge en in de omgeving van Aarschot en Diest. Zeer sterk afgenomen.
WalloniŽ
Zeer zeldzaam.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 9, Jan Kops en Johannes Everhardus van der Trappen (1846)


Deutschlands Flora in Abbildungen, Jacob Sturm und Johann Georg Sturm


Flora von Deutschland, ÷sterreich und der Schweiz, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomť (1885-1905)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)


Bilder ur Nordens Flora, Carl Axel Magnus Lindman (1917-1926)


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL