Wilde planten in Nederland en België

Zeegroene zegge - Carex flacca

Frysk: Griene sigge

English: Glaucous Sedge

Français: Laîche glauque

Deutsch: Blaugrüne Segge

Synoniemen: Carex glauca

Familie: Cyperaceae (Cypergrassenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Zegge stamt uit het Indogermaanse woord seq (snijden). Carex is zeer waarschijnlijk afgeleid van het Latijnse ceiro (ik snij), een verwijzing naar de scherpe kanten van de bladeren. Flacca betekent lap of hangend.

Kruising: Zeegroene zegge kan een bastaard vormen met Blauwe zegge (Carex x albertii).

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Geofyt of hemikryptofyt.

Hoofdbloei: April en mei.

Afmeting: 20 tot 50 cm (zelden tot 90 cm).


Daderot -
CC0


Sten -
CC BY-SA 3.0


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


John De Vos - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR

Wortels: Lange, ver kruipende, weinig vertakte, dunne, donkere tot bijna zwarte wortelstokken met uitlopers. Ze zijn door bruine schubben omgeven.


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0

Stengels: De stengels zijn stomp driekantig, worden tot 2 mm dik en zijn meestal glad. Ze zijn alleen onderaan bebladerd en langer dan de bladen.


Rolf Engstrand -
CC BY-SA 4.0


Fornax -
CC BY-SA 3.0


f_j -
CC BY-NC 4.0


Hans Toetenel -
CC BY-NC-SA 3.0 NL

Bladeren: Steriele spruiten zijn wintergroen. De vrij stijve bladen zijn gootvormig en 2 tot 5 mm breed. Ze hebben naar beneden omrollende, min of meer ruwe randen en aan de voet terugwijzende tandjes. Aan de bovenkant zijn ze blauwachtig donkergroen en van onderen lichter blauwgrijs. Ze zijn bijna van de voet af in een fijne punt versmald. De onderste bladscheden zijn licht- tot roodbruin of bijna zwart en rafelen niet.


Daderot -
CC0


Biodehio -
CC BY 3.0


Kristian Peters -
CC BY-SA 3.0


Sten -
CC BY-SA 3.0

Bloemen: Eenslachtig. Eenhuizig. De schutbladen ongeveer zijn even lang de bloeiwijze, maar het onderste schutblad steekt soms boven de bloeiwijze uit en heeft vaak een zeer korte schede. De stijf rechtopstaande bloeiwijze bestaat uit één tot drie dicht bij elkaar staande slanke mannelijke aren en daaronder twee tot vier (zelden vijf) wat verder uit elkaar staande, compacte (dichtbloemige) en rolronde vrouwelijke aren. Ze zijn meestal 1,2-3 cm lang. De onderste aar meestal zonderr schede, zelden met een schede. Ze hebben een draaddunne, 3-8 cm lange en tenslotte vaak overbuigende steel. De bloemen hebben drie stempels. De kafjes zijn eirond of langwerpig, spits, donker roodbruin met groene middenstreep, korter, langer dan of even lang als de urntjes. De mannelijke aartjes zijn smal cylindrisch. De kafjes zijn langwerpig, iets stomp en donker purperbruin met lichtere middenstreep.


Artem Topchiy -
CC BY-SA 3.0


Isidre blanc -
CC BY-SA 4.0


Gideon Pisanty -
CC BY-SA 3.0


Biodehio -
CC BY 3.0

Vruchten: Een eenzadige dopvrucht of nootje. De niet opgeblazen urntjes zijn bruin tot zwart of heel soms groen. Ze zijn 2-3 mm lang, driekantig-omgekeerd eivormig, korrelig ruw en zijn vaak begroeid met enkele verspreide, zeer korte haartjes. Ze hebben een rechte, zeer korte snavel. De vrucht is breed eirond, driekantig en bruin met lichtere kanten en top. De zaden zijn kortlevend (één tot vijf jaar). Eenzaadlobbig.

© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Thierry Pernot - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Dominique Remaud - tela-botanica.org -
CC BY-SA 2.0 FR


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige tot licht beschaduwde, vrij open plaatsen op vochtige tot matig droge, meestal matig voedselarme tot soms matig voedselrijke, onbemeste, kalkrijke, soms zwak zure grond (kalkgrond, klei, leem, zavel, kalkrijk laagveen, stenige plaatsen en soms op veen).
Groeiplaatsen: Grasland (kalkgrasland en blauwgrasland), bermen, langs schelpenpaden, heide,bossen (stenigeplekken in hellingbossen), afgravingen (kalkgroeven, leemgroeven en kleigroeven), waterkanten (beekwanden en slootkanten), moerassen (kalkmoerassen), rivierdijken en zeeduinen (duinvalleien).

Verspreiding

Wereld: Zuidwest-Azië, Noordwest-Afrika en in Europa, behalve in het noordoosten. Ingeburgerd in oostelijk Noord-Amerika en Nieuw-Zeeland.

Nederland: Vrij algemeen, maar in sommige gebieden zeldzaam of ontbrekend. Afgenomen.

Vlaanderen: Vrij algemeen.
Wallonië:
Vrij algemeen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 13, Jan Kops, F. A. Hartsen en F.W. van Eeden (1868)


Deutschlands Flora in Abbildungen, Jacob Sturm und Johann Georg Sturm


Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé (1885)


Pflanzenleben des Schwarzwaldes, Friedrich Oltmanns (1927)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL