Wilde planten in Nederland en België

Zeegroene zegge - Carex flacca

Frysk: Griene sigge

English: Glaucous Sedge

Français: Laîche glauque

Deutsch: Blaugrüne Segge

Synoniemen: Carex glauca

Familie: Cyperaceae (Cypergrassenfamilie)

Naamgeving (Etymologie): Zegge stamt uit het Indogermaanse woord seq (snijden). Carex is zeer waarschijnlijk afgeleid van het Latijnse ceiro (ik snij), een verwijzing naar de scherpe kanten van de bladeren. Flacca betekent lap of hangend.

Kruising: Zeegroene zegge kan een bastaard vormen met Blauwe zegge (Carex x albertii).
Gertie Papenburg vond in 1986 een zegge in de Twijzeler Mieden in Friesland, wat het midden leek te houden tussen Zeegroene zegge (Carex flacca) en Blauwe zegge (C. panicea). Beide genoemde soorten groeiden hier eveneens. Contact met A. Corporaal en D.T.E. van der Ploeg gaf inderdaad uitsluitsel: het materiaal behoort tot de hybride C. flacca x C. panicea, toen nog C. x fontis-sancti genoemd, nieuw voor Nederland. Later bleek dat Carex x albertii de juiste naam is voor deze hybride. Ze is intermediair aan beide oudersoorten. Het lijkt in eerste instantie op een ietwat bleke, " mager" bloeiende Carex. De urntjes zijn leeg. Waar beide oudersoorten gezamenlijk voorkomen is het dus opletten geblazen. Dit geldt natuurlijk in het algemeen waar meerdere zeggen samen voorkomen. Een hybride populatie kan evenwel soms ook voorkomen zonder (één van) beide ouders. Mogelijk waren de ouders ooit wel aanwezig hier maar ondertussen verdwenen. Hybriden blijken het vegetatief soms langer uit te kunnen houden dan de oudersoorten.
Jacob Koopman, 2014 - CC BY-SA 3.0

Beschrijving (Klik op een afbeelding om te vergroten).

Levensduur: Overblijvend.

Plantvorm: Kruid.

Winterknoppen: Geofyt of hemikryptofyt.

Bloeimaanden: Mei en juni.

Afmeting: 20 tot 90 cm.


Daderot -
CC0


Sten -
CC BY-SA 3.0


© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


John De Vos - tela-botanica.org - CC BY-SA 2.0 FR

Wortels: Lange, ver kruipende, weinig vertakte wortelstokken met uitlopers.


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0


Neuchâtel Herbarium -
CC BY-SA 3.0

Stengels: De stengels zijn stomp driekantig, worden tot 2 mm dik en zijn meestal glad. De scheden zijn donkerbruin, vaak paarsrood aangelopen en gaan niet vezelen.


Rolf Engstrand -
CC BY-SA 4.0


Fornax -
CC BY-SA 3.0


Fornax -
CC BY-SA 3.0


Hans Toetenel -
CC BY-NC-SA 3.0 NL

Bladeren: De stijve bladeren zijn gootvormig. Ze hebben naar beneden omrollende, min of meer ruwe randen en aan de voet terugwijzende tandjes. Aan de bovenkant zijn ze blauwachtig donkergroen en van onderen lichter blauwgrijs. De bladeren zijn 2 tot 5 mm breed.


Daderot -
CC0


Biodehio -
CC BY 3.0


Kristian Peters -
CC BY-SA 3.0


Sten -
CC BY-SA 3.0

Bloemen: Eenslachtig. Eenhuizig. De bloeiwijze bestaat uit één tot drie dicht bij elkaar staande slanke mannelijke aren en daaronder twee tot vier wat verder uit elkaar staande, compacte en rolronde vrouwelijke aren. Ze hebben een draaddunne, 3-8 cm lange en tenslotte vaak overbuigende steel. De bloemen hebben drie stempels. Het onderste schutblad steekt meestal boven de bloeiwijze uit en heeft vaak een zeer korte schede.


Artem Topchiy -
CC BY-SA 3.0


Isidre blanc -
CC BY-SA 4.0


Gideon Pisanty -
CC BY-SA 3.0


Biodehio -
CC BY 3.0

Vruchten: Een eenzadige dopvrucht of nootje. De urntjes zijn bruin tot zwart of heel soms groen. Ze zijn 2-3 mm lang, driekantig-omgekeerd eivormig, korrelig ruw en zijn vaak begroeid met enkele verspreide, zeer korte haartjes. Ze hebben een rechte, zeer korte snavel. De zaden zijn kortlevend (één tot vijf jaar). Eenzaadlobbig.

© Peter Meininger - verspreidingsatlas.nl


Thierry Pernot - tela-botanica.org - CC BY-SA 2.0 FR


Dominique Remaud - tela-botanica.org - CC BY-SA 2.0 FR


Digitale zadenatlas

Biotoop

Bodem: Zonnige tot licht beschaduwde, vrij open plaatsen op vochtige tot matig droge, meestal matig voedselarme tot soms matig voedselrijke, onbemeste, kalkrijke, soms zwak zure grond (kalkgrond, klei, leem, zavel, kalkrijk laagveen, stenige plaatsen en soms op veen).
Groeiplaatsen: Grasland (kalkgrasland en blauwgrasland), bermen, langs schelpenpaden, heide,bossen (stenigeplekken in hellingbossen), afgravingen (kalkgroeven, leemgroeven en kleigroeven), waterkanten (beekwanden en slootkanten), moerassen (kalkmoerassen), rivierdijken en zeeduinen (duinvalleien).

Verspreiding

Wereld: Zuidwest-Azië, Noordwest-Afrika en in Europa, behalve in het noordoosten. Ingeburgerd in oostelijk Noord-Amerika en Nieuw-Zeeland.

Nederland: Vrij algemeen, maar in sommige gebieden zeldzaam of ontbrekend. Afgenomen.

Vlaanderen: Vrij algemeen.
Wallonië:
Vrij algemeen.

Oude illustraties (Klik op een afbeelding om te vergroten).


Flora Batava, deel 13, Jan Kops, F. A. Hartsen en F.W. van Eeden (1868)


Deutschlands Flora in Abbildungen, Jacob Sturm und Johann Georg Sturm


Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé (1885)


Pflanzenleben des Schwarzwaldes, Friedrich Oltmanns (1927)


Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883


Illustrations of the British Flora, Walter Hood Fitch (1924)

2001-2021 K.M. Dijkstra - CC BY-NC-SA 3.0 NL